Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

puaeadvies Van

kampioenen voor het particulier initiatief nogal eens fel waren, over de wijze waarop in Indië ue ambtenaren van het mijnwezen de zakéh behartigden, of liever niet behartigden. Verwijten werden gericht zoowel tegen de ordonnantie, welke zou afwijken van den geest der wet, als tegen den dienst van het mijnwezen, welke zoowel door he£ sleepend houden van aanvragen om vergunning tot opporing of concessie tot ontginning den toegang voor het particulier kapitaal versperden. Wat dit verwijt betreft, dat neer zou komen op een systeem van werken, 'twelk met het eene woord „ambtenarij" geheel duidelijk voor ieder die er mee te doèn heeft gehad, wordt aangegeven, acht ik mij onbevoegd de juistheid ervan te beoordeelen. Wie vooruit wil en vastloopt tegen een levenlooze bureaucratie, heeft recht van klagen, maar in hoeverre hier werkelijk bureausleur dan wel een schouderophalen voor het jachten van concessiejagers in het spel was, vermag ik niet te beoordeelen. Zeker is echter, dat een groote moeilijkheid bij de toepassing der mijnwet zich voordeed bij de aanvragen om vergunning vóór opsporingen.

Het verkrijgen van een vergunning zooals de mijnwet die voorschrijft is slechts een formaliteit, in hoofdzaak bedoeld om prioriteitsrechten vast te leggen. „Als regel hebben de tegenwoordige vergunningsaanvragers zich geen andere moeite te geven dan op een veelal onjuiste kaart, aan de schrijftafel vierkanten te trekken en deze ten koste van twee zegeltjes van f 1.50 aan te vragen, nadat ze misschien ergens gelezen of gehoord hebben, dat daar mogelijkheid zoude bestaan op het voorkomen eener delfstofafzetting. Dit geschiedde in den laatsten tijd op zeer groote schaal, zelfs nog zonder de minste aanwijzing voor de werkelijke aanwezigheid van delfstoffen, ingevolge hevigen concurrentiestrijd tusschen twee groote groepen op de petroleummarkt, eenvoudig om de terreinen aan den concurrent te onttrekken. Het ware natuurlijk absurd, zoo alleen twee zegeltjes de kracht zouden hebben het gouvernement ook maar zelfs moreel aan handen en voeten te binden, temeer waar deze aanvragen soms bij duizenden tegelijk gefabriceerd werden. Er zijn echter van tijd tot tijd, zij het dan ook tot dusverre slechts zeer zeldzaam, aanvragers, die ernstige en kostbare verkenningen in de wildernis hebben gedaan en op grond daarvan vergunningen vragen tot opsporingen, in de billijke — op de mijnwet gegronde — verwachting, dat deze, zoo zij aan de voorschriften voldoen, verleend zullen worden, en die door eene latere'„reserveering" vóór die vergunning verleend werd, zeer ernstig nadeel lijden. Nu kan men wel zeggen, dat zulk eene verkenning vóór men vergunning had,

Sluiten