is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 6

90

(B. n°. 3143). Het betrof in het eerste geval een bijzondere afkoopsom, welke een naamlooze vennootschap zich had weten te bedingen en die zij, na ontvangst, in den vorm van dividend had uitgekeerd. Het tweede arrest (hierboven reeds genoemd) behandelde de uitdeeling van baten, gewonnen met den verkoop van ingebrachte onroerende goederen.

Niet als opbrengst van roerend kapitaal beschouwde de Hooge Raad (4 Juni 1923, B. n°. 3470) wat een aandeelhouder onregelmatig uit de vennootschap tot zich heeft genomen, doch alleen wat hem, met inachtneming van de wet en de statuten wordt uitgekeerd. Deze, van de strafkamer afkomstige uitspraak schijnt mij wel zeer formalistisch. Het blijkt trouwens, dat de administratieve kamer van den Hoogen Raad minder zware eischen stelt. In een arrest van 24 Maart 1926 (B. n». 3790) althans valt te lezen, dat een uitkeering van winst door een naamlooze vennootschap voor den genieter ook dan inkomen is indien bij die uitkeering de voorschriften der statuten niet zijn opgevolgd, zoo de bedoelde genieter is de eenige aandeelhouder, wiens goedkeuring de begane onregelmatigheid dekt. Vergelijk ook r. v. b. Utrecht 5 December 1923 (B. n°. 3517) in zake het tot zich nemen van de winst der naamlooze vennootschap door den eenigen aandeelhouder, alsmede H. R. 19 Januari 1927 (B. n°. 3987), dat een dergelijk geval behandelt.

De leer dat, zoo de algemeene vergadering in strijd met de statuten besloten heeft geen dividend uit te keeren, de vordering die een aandeelhouder alsdan niettemin tot uitbetaling van het dividend kan geldend maken medebrengt dat het dividend (ten beloope van de waarde der te begrooten vordering) als genoten moet worden beschouwd1 schijnt mij niet boven bedenking verheven. Het is waar dat de Hooge Raad ten aanzien van obligatierente die niet in contanten is genoten het begroote bedrag der vordering deswege als inkomen beschouwt (arrest B. n°. 4271, te noemen bij art. 13), maar tusschen zulk een rechtstreeksch vorderingsrecht en een vordering langs den weg van een actie tot nietigverklaring van een aandeelhoudersbesluit zie ik toch wel verschil. Verg. ook 's Hoogen Raads bekende arrest van 5 October 1916 (B. n°. 1439) in zake de vermogensbelasting (actie tot terugvordering van weggeschonken goed).

Terecht heeft de Hooge Raad (13 Juni 1928, B. n°. 4287) beslist, dat een uitkeering aan een aandeelhouder het karakter van

1 In dien zin Karmelk in Weekbl. D. B. I. A. 2959.