is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

Art. 7

reden tot twijfel, aangezien het te niet gaan niet een gevolg behoeft te zijn van de uitoefening maar ook uit andere omstandigheden kan voortvloeien (hoewel dan misschien de bij de afschrijving ook te pas komende verouderings-idee — de Hooge Raad noemt die hier met — een rol kan spelen). Alles samen genomen, kan ik niet anders concludeeren, dan dat de Hooge Raad zich hier niet op den juisten weg bevindt.1 En de arresten van 27 October 1926 (B. n°. 3911) en van 26 Maart 1930 (B. n°. 4710) schijnen mij niet een bekeering tot een andere leer: daar toch betrof het waardeering — door den Hoogen Raad toelaatbaar geacht — van aandeelen die als hulpmiddelen in het bedrijf doelloos en als zoodanig onbruikbaar waren geworden, dus van aandeelen die geen vast kapitaal meer waren. Treffend is de consequentie, tot welke het stelsel van den Hoogen Raad voert in het arrest van 6 Januari 1926 (B. n°. 3756), alwaar het betrof obligaties en aandeelen, met kasgeld van het bedrijf aangekocht teneinde geregeld te worden beleend in verband met het verkrijgen van kasgeld. Juist bij zulk beleenen speelt de waarde van het onderpand een groote rol, zoodat voor waardeering alleszins reden zou bestaan. Evenwel houdt de Hooge Raad zich ook hier streng aan zijn afschrijvingsidee.2

Waar ik wel vrede mee heb, is de tegenstelling, door den Hoogen Raad ten deze gemaakt tusschen vast en vlottend kapitaal; immers bij de waardeering van tot het vaste kapitaal behoorende effecten zal het feit, dat zij niet van de hand zullen worden gedaan, zeker een rol kunnen spelen. Bij belegd kasgeld kan daarentegen veeleer sprake zijn van het volgen van den dagkoers.

Een bijzonder geval van opbrengst van in een bedrijf gebezigde effecten strekte ten onderwerp aan het arrest van 15 Juni 1921 (B. n°. 2837). In iemands bedrijfskapitaal bevonden zich aandeelen, en op deze waren bonus-aandeelen uitgereikt. Vormden nu die bonus-aandeelen een deel van de bedrijfsopbrengst ? De

1 Sohendstok, De Balans enz., blz. 33, wil van een calculatie van winst of verlies op de boekwaarde van aandeelen in dochtermaatschappijen niet weten en stelt de vraag of ik aan mijn afkeuring van het arrest van 31 Januari 1923 (B. n°. 3120) — betreffende waardevermindering van aandeelen in dochtermaatschappijen door politieke gebeurtenissen ; het komt aan de orde bij art. 10 — de consequentie verbind dat ik ook waardedaling van in landbouwbedrijf gebruikt onroerend goed door stijging van den grondwaterstand als bedrijfsverlies beschouw. Mijn antwoord luidt: ik gevoel er voor, zulk een waardevermindering, indien zij invloed op de opbrengst heeft, door afschrijving tot uiting te brengen.

* Zie hierbij Schendstok, De Balans enz., blzz. 33 vlg.

Ned. Bel. Recht 1,4» dr. 8