is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

Abt. 7

Dat gevoelen is ook mtgedrukt in het arrest van 18 October 1917 (B. n°. 1781) dat ons op het gebied van den veeteelt voert. De raad van beroep te Utrecht had in de bestreden beslissing overwogen, dat voordeelen uit een bedrijf alleen belast waren, wanneer zij waren verkregen, en dat bij een landbouwbedrijf nu wel de vruchten van land of vee, maar niet de waardevermeerdering van den veestapel als verkregen voordeel was aan te merken. Met een beroep op de in art. 4 der wet genoemde „geldswaarde" verklaarde de Hooge Raad die laatste uitspraak in haar algemeenheid voor onjuist; zij zou juist kunnen zijn, indien verwisseling van den veestapel de reden van de waardevermeerdering was. Bestond die verwisseling niet en Was de vermeerdering het gevolg van den natuurlijken groei van het vee, van de stijging der marktwaarde of van die beide gebeurtenissen te zamen, dan moest zij op gelijken voet als de vruchten van land of vee tot de voordeelen van het bedrijf worden gerekend, als zijnde verkregen ten gevolge van de werking der natuur in verband met een doelmatige verzorging en onder den invloed, dien de stijging der marktwaarde hier soms ook uitoefent. — In denzelfden zin luidt een arrest van 7 Mei 1924 (B. n°. 3408), dat tevens afwijst het bezwaar, ontleend aan de moeilijkheid om in een gemengd landbouwbedrijf het vee per 1 Mei te waardeeren; vergelijk het arrest B. n°. 2098, hierboven blz. 108.

Deze arresten doen duidelijk uitkomen, dat de natuurlijke groei van den bedrijfsvoorraad bij de winstbepaling niet buiten aanmerking mag worden gelaten. De vermeerdering van den omvang kan men beschouwen als een noodwendigen tegenhanger van de kosten die tot dat einde zijn aangewend. Het zal dan ook wel niet zonder bedoeling zijn dat de Hooge Raad in de arresten B. nos. 1672 en 2168 van den aftrek der jaarlijksche lasten en kosten uitdrukkelijk gewag maakt en in het arrest B. n° 1781 spreekt van de doelmatige verzorging (die natuurlijk geld kost) als oorzaak der vermeerdering.1

1 Het arrest B. n°. 1781 spreekt van den veestapel in het algemeen. In casu betrof het vee van een vetweider. Dat ten aanzien van het vee van den melkveehouder, dat niet handelsvoorraad doch bedrijfsobject is, de waardevermeerdering geen bedrijfswinst vormt, besliste de Hooge Raad bij zijn arrest van 29 April 1918 (B. n». 1998). Vergelijk ook de res. 30 Juni 1917, in de noot onder de, nogal gebrekkige, uitspraak van den raad van beroep te Zwolle van 12 April 1917 (B. n«. 1816); voorts H. R. 14 Maart 1928 (B. n°. 4238). — Is intussehen het melkvee bestemd om na een zeker aantal jaren verkocht te worden, dan schijnt een bijboeking ter zake van den aangroei wel meer rationeel. Men zie