Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

471

Art. 101 (oud)

stelde men zich voor, dat voorkoming van dubbele belasting bereikt moest worden door middel van internationale overeenkomsten. Regeling in de Nederlandsche wet zelve was bezwaarlijk omdat, zooals § 9 der Memorie van Toehchting te kennen gaf, de buitenlandsche wetgevingen daarvoor te veel uiteenhepen. Derhalve werd in de wet alleen aan de Kroon de bevoegdheid voorbehouden, dergelijke verdragen te sluiten.

De loop van zaken is wel geheel anders geweest, dan de wetgever van 1914 zich dien gedacht had. Tijdens den oorlog kwam er natuurlijk van het sluiten van verdragen niets, en ook onmiddellijk na dat tijdvak schenen de omstandigheden in dit opzicht niet gunstig. Aangezien nu de dubbele belasting voor velen een aanmerkelijk euvel bleek op te leveren, werd men te rade om door een voorloopige regeling aan die bezwaren tegemoet te komen. Dit geschiedde door een wet van 16 April 1920 (Stbl. n°. 192), bij welke de Minister van Financiën gemachtigd werd voorachriften te geven ter voorkoming van dubbele belasting als bedoeld waren bij art. 101 der wet op de inkomstenbelasting.

De Minister zette zich nu aan het maken van voorloopige regels. Eenige malen bleek aanvulling van het aldus geregelde wenschelijk, en die had dan ook telkens plaats. Zoo werd gaandeweg een toestand geschapen die aan heel wat dubbele belasting een einde maakte. En de ervaring wees uit, dat, wat men in 1914 als een beletsel voor eenzijdige regeling had beschouwd, namelijk het uiteenloopen van de buitenlandsche wetgevingen, het uitvaardigen en toepassen van de Ministerieele voorschriften in het geheel niet belemmerde. Ook begon dit Nederlandsch unilateraal stelsel de aandacht te trekken in het buitenland, en in 1930 wees het Comité Fiscal van den Volkenbond op de gunstige resultaten die men er mede had bereikt en sprak het den wensch uit, dat men op dien weg zou voortgaan.

Toen dan ook in 1929 een wetsontwerp werd ingediend dat een meer algemeene regeling in zake het voorkomen van dubbele belasting inhield, kon er geen sprake van zijn dat de wet van 1920 daarin niet met huid en haar zou worden overgenomen. Zo 3 is inderdaad geschied: de machtiging op den Minister wordt thans aangetroffen in art. 3 der uit het bedoeld ontwerp voortgekomen, hierboven reeds genoemde wet van 14 Juni 1930 (Stbl. n°. 244).

Zoo heeft dus het vraagstuk der dubbele belasting in onze wetgeving voor een belangrijk deel een oplossing gevonden die, naar ik weet, velen ons benijden. Het is natuurlijk niet gezegd, dat er nu voor internationale regelingen geen grond meer bestaat, maar

Sluiten