Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

497

Abt. 112

belasting, voor zoover bekend was, tot bezwaar als hier bedoeld, nimmer aanleiding had gegeven. Bovendien is sedert verschenen het arrest van 31 Januari 1919 (W. v. h. R. n°. 10365), waarbij de Hooge Raad aan art. 1401 van het Burgerlijk Wetboek een aanmerkelijk ruimere uitlegging gegeven heeft dan hij tot dusver gedaan had. Het is dus geenszins onwaarschijnlijk, dat het College thans den erfgenaam wiens lichtvaardige reclame een verhoogingsaanslag tot gevolg had, deswege tegenover zijn mede-erfgenamen aansprakelijk zou achten.

1 Het leerstuk der machtiging heeft

Tweede lid

I I in ons burgerlijk recht geen opzettelijke behandeling gevonden, want de terloops in den titel omtrent lastgeving opgenomen regelen kunnen moeilijk als zoodanig beschouwd worden.1 De wetgever heeft daarom wel gedaan met in die gevallen, waarin hij den belastingphchtige de bevoegdheid zich door een ander te doen vertegenwoordigen, niet wilde ontnemen, dat uitdrukkelijk in de wet te verklaren. Behalve in het tweede lid van art. 112 is dit, onder meer, geschied in art. 50. Daarentegen is, zooals wij zagen, de bevoegdheid om zich bij de mondelinge behandeling der reclame te doen vertegenwoordigen, met voordacht beperkt (art. 74, vierde Ud).

Hij die zich als gemachtigde presenteert, zal zoo noodig moeten bewijzen dat hij die quahteit inderdaad bezat op het oogenblik waarop hij het geschrift indiende. Dat bewijs kan intusschen ook achterna (in den loop van het geding) geleverd worden (H. R. 3 Mei 1922, B. n°. 2952); zelfs moet men den beweerdelijk belanghebbenden tot het leveren ef van in de gelegenheid stellen (H. E. 25 September 1929, B. n°. 4579).

I 1 Woont de reclamant of verzoeker of

I c " I de vertegenwoordiger niet hier te lande, dan moet hij in het bezwaar-, verzoek- of beroepschrift binnen het Rijk woonplaats kiezen, opdat de administratie haar beschikkingen, enz. zonder bezwaar verzenden kan. Of het verzuim van deze domiciliekeuze niet-ontvankelijkheid met zich moet brengen, acht ik twijfelachtig. Die consequentie zou het doel van de bepaling tot op zekere hoogte verijdelen. Immers, de nietontvankelijkheid wordt geconstateerd bij een uitspraak, en die uitspraak behoort (zie bijvoorbeeld art. 76) aan den belanghebben-

1 Verg. Suyling, Inleiding tot het Burgert R. I, § 42 (Vertegenwoordiging) Xed. Bel. Recht I, 4« dr. 32

Sluiten