Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

arbeid geroepen te gevoelen, de verbetering van de volkshuisvesting gaarne aangreep om zich nuttig te maken. Hetgeen dientengevolge in de laatste 30 jaar van de 19e eeuw is geschied, is niet van groote beteekenis geweest voor de woningvoorziening in het algemeen, maar heeft wel invloed gehad op de denkbeelden, welke omtrent de volkshuisvesting ontstonden. De gestichte bouwvereenigingen, die maar zelden meer dan eenige procenten van de arbeidersgezinnen ter plaatse aan woningen hielpen, hadden steeds de beste gezinnen als huurders zoodat het onderhoud goedkoop was en weinig door wanbetaling werd verloren ; ze werden gewoonlijk gratis beheerd en genoten door den invloed van de bestuurders diverse faciliteiten — zooals b.v. goedkoop kapitaal (leeningen bij familie, kennissen en philantropen geplaatst). Door een en ander konden zij de woningen betrekkelijk goedkoop geven4) en vond de gedachte ingang, dat de particuliere huiseigenaren met hunne hoogere huren of slechtere woningen een zeer hooge rente van hun geld maakten. Men vergat daarbij, dat deze óf zelf veel werk moesten geven voor het beheer óf dure opzichters moesten betalen, dat >zij veel verlies door wanbetaling hadden en dat hun woningen door slechte bewoning vaak veel aan onderhoud kóstten. Het exploiteeren van arbeiderswoningen door particulieren kwam echter in een kwade reuk (een veel kwader reuk dan de hardhandige en zorgelooze wijze, waarop inderdaad sommige huisjesmelkers het vak uitoefenden, wettigden). De woningen kwamen daardoor niet zelden meer in het bezit van personen, die niet weten wilden> dat zij ze bezaten en het werk heten doen door opzichters, wat gewoonlijk tot slechtere toestanden leidde, wijl de opzichters zich op de eigenaren en deze zich op de opzichters beriepen, als er reden tot klagen was over gemis aan onderhoud of meedogenloos optreden. Een vak dat in een kwade reuk staat vordert een goede belooning. Naast de moeite moet dan de oneer betaald worden. Aan den anderen kant ontstond er bij de woningphilantropen een neiging om de woningvoorziening te gaan beschouwen als iets dat geheel viel buiten de gewone regelen van vraag en aanbod. Terwijl niemand er aan dacht en elkeen zelfs af-

4) Wijl de bouwvereenigingen niet op winst uit waren verhoogden zij veelal niet de prijzen der woningen, als de stijging der productiekosten en de wijziging in de schaal van de vraag, het intenser worden der behoefte aan woningen, zooals zij bezaten, de woningen van particuliere bezitters duurder deden worden. De bestuurders heten wie eenmaal in de vereenigingswoningen woonden het voordeeltje van goedkoop wonen behouden en gaven, als er een woning openkwam deze bij wijze van gunst aan een ordelijk gezin onder den prijs, dien zij bij vrije concurrentie hadden kunnen bedingen ; en zulks in plaats dat zij hetgeen de woningen bij verhuur tegen den marktprijs meer hadden kunnen opbrengen weer voor het goede doel — het verbeteren van de volkshuisvesting ter plaatse — gebruikten.

Sluiten