is toegevoegd aan uw favorieten.

De Bijbel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

berder. De Judeeërs hoopten nog, telkens opnieuw, verlost te worden van het gevaar, straks van den ondergang zelf. Maar Jeremia had geen hoop en sprak dit uit, onverbiddelijk en streng. Klampten staatslieden zich vast aan een verbond met vreemde vorsten, — hij wees het af. Hoopten dwepers op tusschenkomst van den hemel, — hij waarschuwde tegen die ijdele verwachting. Houten jukken kon men breken, maar ijzeren zou God ervoor in de plaats geven (Jer. 28).

Het is te begrijpen dat het volk in zijn benardheid deze taal nauwelijks verdroeg. Men stelle het zich voor ! Tweemalen is in dezen tijd Jeruzalem maanden achtereen belegerd ; hoe begrijpelijk dat men den profeet, die aanried „geeft u maar over, het baat toch niet," als een verrader wantrouwde. Herhaaldelijk liep Jeremia's leven gevaar; hij heeft mishandeling en benauwde gevangenschap moeten verdragen. Slechts de huivering, die men ondanks allen persoonlijken tegenzin toch voor den profeet als man Gods gevoelde, redde zijn leven; naar hem te luisteren werd evenwel misdadig geacht.

Met dat al brandde Jeremia van liefde voor zijn volk. Maar hij kon niet anders spreken dan hij deed. En spreken moest hij, omdat hij een geroepene was (Jer. 20 : 7—9):

Gij hebt mij overgehaald, Jahwe, en ik ben overgehaald; gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht; ik ben geworden tot belaching den ganschen dag, iedereen bespot mij;

want zoo vaak ik spreek, moet ik het uitschreeuwen,

luidkeels klagen over geweld en mishandeling;

omdat Jahwe's woord mij strekt tot smaad

en tot beschimping den ganschen dag.

Zeg ik dan: Ik wil niet van hem gewagen,

ik spreek niet meer in zijn naam —

zoo wordt het in mijn hart als een brandend vuur,