is toegevoegd aan uw favorieten.

Pensioenwet 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 144

— 90 —

De echtgenoote van een oud-burgerlek ambtenaar die op 'iet tijdstip van het in werking treden van deze wet uitzicht heeft op een pensioen van f 800 volgens eerstgenoemde Weduwenwet en — aangezien die oud-ambtenaar op dat tijdstip werkzaam is in een gemeentelijke betrekking, — tevens op een pensioen van f 735 volgens de Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren, moet het uitzicht op een gezamenlijk pensioensbedrag van f 1535 behouden, al overtreft dit bedrag het maximum dat volgens deze wet aan weduwenpensioen kan worden genoten. Deze wet moet eene bepaling bevatten, waaraan het behoud van laatstgenoemd uitzicht wordt ontleend, doch die er ook tegen waakt dat bedoeld maximum niet nog meer wordt overschreden. Zoodanige bepaling maakt geen inbreuk op verkregen rechten omdat, zooals gezegd, het gebruik maken van meerbedoelde bevoegdheid niet insloot het zich verzekeren voor zijne na te laten betrekkingen van het recht om boven en behalve het pensioen waarop het uitzicht werd behouden, zonder eenige beperking nog meer pensioen te genieten.

Het bezwaar, ingebracht tegen art. 132r (thans art. 144), is dus niét gegrond.

Van de pensioensverhooging volgens de wet van 29 Mei 1920 (Staatsblad n°. 283) moet dit artikel niet spreken. Art. 1326 (thans art. 142) geeft den belanghebbenden uitzicht op een mede met toepassing van die wet berekend pensioen. (M. v. A.i 2e K.)

Zoowel in de 2e Kamer, als in de le Kamer werd bij de behandeling der wet uitvoerig stilgestaan bij het feit omschreven in het voorloopig verslag der 2e Kamer.

— Gevraagd werd :

wanneer die ambtenaar, die maar in één richting dient en in de andere richting in het fonds heeft doorgestort, en daarin blijft doorstorten zonder het recht te behouden van die hoogere kans, brengt ge hem in een ongunstige positie tegenover den man, die doordient, tenzij, zoo dacht ik — en dat is eigenlijk de vraag, die ik aan den Minister stel — gij den man, die in het andere fonds doordiende, ook vrijstelt van doorstorten, zoodat hij door die vrijstelling van doorstorten dan toch in dezelfde gunstige positie kan komen.