is toegevoegd aan uw favorieten.

Pensioenwet 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 91 —

Art. 144

Mijnheer de Voorzitter ! Ik moet deze vraag zoo stellen, omdat ik niet volmaakt overtuigd ben, dat in deze wet dat niet verder doorstorten, uitgedrukt is.

Mijnbeer de Voorzitter ! Ik zie enkele leden toestemmend knikken, alsof zij daarmede wilden zeggen : het staat wel in deze wet uitgedrukt.

— De Minister antwoordde daarop:

„Ik kan daarop antwoorden, wat de heer Gerhard reeds half heeft ondersteld, maar waaromtrent hij zekerheid wil hebben: dat het doorbetalen der premie door den Rijksambtenaar, die als ontslagen gemeente-ambtenaar tot de inwerkingtreding dezer wet doorbetaald heeft, zal ophouden na de inwerkingtreding. Dit volgt uit art. 153 (thans art.

172) , dat de verschillende bestaande Pensioenwetten afschaft, juncto art. 154 (thans art.

173) , dat enkele artikelen van die wetten in stand houdt, waaronder niet valt de doorbetaling van premie door iemand, die nog in eenig opzicht ambtenaar is."

— In de eerste Kamer deelde de Minister omtrent dit punt nog mede :

„In dit ontwerp wordt geünificeerd de burgerlijke pensioenwetgeving van het Rijk en de gemeentelijke pensioenwetgèving. En er wordt — het gaat hier over het weduwenpensioen, — een nieuw geünificeerd pensioen geschapen van maximaal f 1400, ,waar er vroeger een maximum gemeentepensioen was van f 735 naast een van het Rijk van f 800. Wanneer een gemeente-ambtenaar overging in Rijksdienst, kon hij, door te blijven doorstorten voor het gemeentelijk weduwenpensioen, het voor zijn weduwe dus brengen tot f 1535.

Die f 1535 nu worden hem door de overgangsbepaling van art. 144 gegarandeerd.

Wat wenscht men echter ? Men wenscht, dat op dat nieuwe geünificeerde maximum van f 1400 nog komt de f 735 van de gemeente of de f 800 van het Rijk. Men wenscht dus, dat de betrokkene zal komen op een maximum, dat noch onder de nieuwe, noch onder de oude bedeeling te bereiken is.

Men motiveert dat hiermede, dat hij is blijven doorstorten en men voert daarvoor eenige argumenten aan, die ik in hun waarde laat,