is toegevoegd aan uw favorieten.

Pensioenwet 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 115 —

Art. 173

op het tijdstip van het in werking treden van deze wet luiden, voor de toepassing van die wetten van kracht.

Art. 176. Behoudens de uitzondering van artikel 170 en het bepaalde in de artikelen 166 en 167 blijven de wetten en artikelen, genoemd in artikel 172, zooals zij op het tijdstip van het in werking treden van deze wet luiden — met uitzondering van de bepahngen omtrent het uitkeeren van vergoedingen door den Staat aan het bij artikel 164 opgeheven pensioenfonds voor de gemeente-ambtenaren en omgekeerd — van kracht voor de regeling van rechten en verpbchtingen die vóór dat tijdstip zijn ontstaan of (en) tot dat tijdstip doorloopen.

Art. 177. Van de wetten waarvan de in artikel 172 genoemde artikelen — behoudens bovenstaande uitzonderingen - vervallen, worden die, vermeld in den bij deze wet behoorenden staat, gewijzigd. De gewijzigde bepahngen luiden, zooals zij in dien staat zijn aangegeven.

Art. 178. Van kracht blijven : de wetten van 20 Jub 1895 (Staatsblad n°. 136) \ 13 Juni 1902 (Staatsblad n°. 98) 2, 27 April 1903 (Staatsblad n°.

1 Wet houdende bepaling, dat de tijdelijke diensten als bureelambtenaar bij den Rijkswaterstaat of als ambtenaar bjj den algemeenen dienst van den Rijkswaterstaat door eenige ambtenaren bewezen, bij de regeling van hun pensioen in aanmerking zullen kunnen komen.

2 Wet houdende bepaling, dat de vóór 1 Januari 1902 door eenige ambtenaren bij 's Rijks Munt - bewezen diensten, vermeld op den bij deze wet behoorenden staat, bij de regeling van hun pensioen in aanmerking zullen kunnen komen.