is toegevoegd aan je favorieten.

Wet van den 27sten November 1919, S. 784, houdende regeling van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 5 —

Art. 2

wijst, en verstrekken den Vobfcitötter de inlichtingen, die hij vraagt; een en ander behoudens de beslissing van Onzen boven bedoelden Minister, indien een lid tegen een aanwijzing of tegen de voldoening aan een verzoek om inlichtingen bezwaar heeft.

De bedoeling van de Gezondheidswet van 1901 kwam, volgens de samenvatting in § 2 van de M. v. T. tot de nieuwe wet, op het volgende neer:

„De wet schiep een college, den Centralen Gezondheidsraad, dat een leidend en adviseerend centrum zou zijn. Het zou het gansche gebied van de hygiëne overzien en onderzoeken; het zou met zijn rijke kennis adviseeren en leiding geven aan de inspecteurs.

Die leiding zou op de inspecteurs worden overgebracht door hoofdinspecteurs, die tevens leden van het college zijn. Als schakels tussehen centrum en inspectie werden de hoofdinspecteurs gesteld aan het hoofd van een gebied, waar zij op hun beurt — op het voorbeeld van het centrum — het geheele terrein van de hygiëne zouden overzien en aan de verschillende takken van het staatstoezicht leiding zouden geven, naar de inzichten van het centraal college.

Voor verschillende takken van de hygiëne werden inspecteurs benoemd, die met de gezondheidscommissies zich op de hoogte zouden houden van den toestand van de volksgezondheid, in hoofdzaak vallen drie takken te onderscheiden : de medische voor de bestrijding van besmettelijke ziekten en voor de hygiëne van bodem, water en lucht; de pharmaceutische voor het toezicht op de apotheken en op de levensmiddelen, en de technische voor de volkshuisvesting."

Wat in de eerste plaats den centralen gezondheidsraad betreft, wien de tweeledige taak van leiden en adviseeren was toegedacht, was echter, naar de M. v. T. verder opmerkt, de toestand zóó geworden, dat er van leiden bezwaarlijk gesproken kon worden.

,,De vraag dringt zich op, hoe deze rraktijk. die zoo sterk van des wetgevers bedoeling af-