Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

zuchtig, zinnelijk genot, maar door te zien, dat waarachtige schoonheid en wijsheid en vreugde den mensch nader brengen tot het Wezen der dingen, dat slechts de Liefde, die niets uitsluit, kan brengen tot het Goddelijke, dat alles omvat. Deze mensch verliest zich niet in een wereldontvliedend idealisme, dat den Geest zoekt verweg ergens in een hemel, die een verdieping hooger gezocht moet worden dan de aarde, evenmin verliest hij zich in stofgeloof en zinnelijkheid, "in het zoogenaamd praktisch leven, het allerminst sluit hij het compromis dat God èn de wereld wil dienen. Hij dient God In de wereld, de maatschappij is zijn klooster, zijn askese volbrengt hij in den omgang met zijn medemenschen in het werk dat zijn levensplicht is. En in dien omgang, in dat werk, treedt God hem tegemoet, er is niets in het heelal, waar hij niet Godsopenbaring in vindt. Zijn hartstochten en begeerten zoekt hij niet te vernietigen, evenmin geeft hij er aan toe, maar hij tracht ze om te zetten tot steeds hooger doel, tot het hoogste doel ten slotte, tot Al-liefde, de Goddelijke Hartstocht. Hij verliest zich niet in droomen noch in de blinde jacht om „er te komen", in hem hebben Oost en West elkaar ontmoet, hij droomt in zijn werk, in zijn volle krachtige leven. Met het hoofd staat hij in den hemel, met de voeten op aarde; het vuur, dat hij in den Hooge ontvangt brengt hij omlaag in het alledaagsche, daaraan licht en schoonheid schenkend. Hij bouwt aan het Koninkrijk Gods op aarde, hij is de Kunstenaar, onder wiens aanraking de stof vergeestelijkt wordt. Zijn leven is zijn kunstwerk, in zijn daden dient hij God, zijn Godsdienst is de dienst der menschheid. Want het Goddelijk leven dat hij in zich weet, erkent hij in Liefde ook in zijn medemensch, de menschheid is voor hem één, onverbreekbaar één, zoolang ééu medemensch lijdt, lijdt ook hij, want één Leven leeft in hen beiden. Hij lijdt met wie onrecht ondergaat, maar meer nog met wie onrecht doet. In de hand, die hem steunt en in de hand, die hem kwetst, erkent hij God. Hij is de harmonische mensch, hemel en aarde hebben zich in hem ontmoet, in het aardsche ziet hij den hemel, in den hemel de aarde. Hij is de volledige mensch, in hem zijn de twee helften," waarin volgens Plato de Goden als straf de menschen deelden, weer één geworden. Hij is de Praktisch-Idealist.

Sluiten