is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet op de Inkomstenbelasting 1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

HOOFDSTUK II. — Art. 11.

ben; vandaar de eerste uitzondering, die in het tweede lid van het artikel wordt aangetroffen. Zij laat toe, dat bijv. de ambachtsman, die een werktuig, de landbouwer, die een werkpaard, de veehouder, die een melkkoe moet vervangen, de daarvoor te maken kosten, dat zijn de kosten van aanschaffing, na aftrek van den verkoopprijs der te vervangen zaak, als bedrijfskosten in rekening brengt (c).

Voor gebouwen zal alleen de, bij art. 10 bedoelde, geleidelijke afschrijving kunnen worden gevalideerd. Immers, er is in het algemeen een lang tijdsverloop noodig, alvorens een gebouw door ouderdom zoo slecht is geworden, dat het moet worden afgebroken. Inmiddels gaat het uit de eene hand in de andere hand over; ieder eigenaar draagt een deel van de waardevermindering door natuurlijke invloeden, waarvan hier sprake is. Werd nu den laatsten. eigenaar, bij afbraak en herbouw, toegestaan de kosten daarvan als bedrijfs- of beroepskosten in rekening te brengen, dan zou een compensatie, waarop de geheele reeks der eigenaren aanspraak had, aan, slechts één hunner ten goede komen, die gewoonlijk het gebouw reeds als een object van geringe waarde zal hebben verkregen.

Vol gens de tweede uitzondering zullen voorts als bedrijfs- of beroepskosten worden erkend, de uitgaven tot aanschaffing van weinig waarde hebbende voorwerpen, voor zoover die uitgaven gewoonlijk tot de onkosten van het bedrijf of beroep worden gerekend. Naar de letter van het eerste lid zou de aanschaffing van geen enkel voorwerp, dat voor de uitoefening van het bedrijf of beroep gebruikt wordt, tot vermindering van de bruto-opbrengst mogen strekken. Dit strookt echter niet met de gewoonten der practijk. Kleinigheden (bureau-behoeften en derg.), die strikt genomen onder het actief eener zaak zouden moeten worden gebracht, worden veelal op onkostenrekening gebracht. Het is van belang, zooals reeds herhaaldelijk werd gezegd, dat de belastingwetgeving zich, althans zooveel mogelijk, bij de werkelijkheid aansluite. Kon ieder boekhoudend koopman of industrieel het winstcijfer volgens zijn boekhouding ongewijzigd in zijn aangiftebiljet invullen, dan zou dit niet alleen een gemak, doch ook een voordeel voor de schatkist zijn, omdat de noodzakelijkheid van reductie menigmaa) de verleiding zal medebrengen, het met de juistheid van het aan te geven bedrag niet al te nauw te nemen. Algemeene en volledige overeenstemming tusschen boekhouding en belastinggrondslag zal nauwelijks te bereiken zijn, maar de wetgever kan daarom toch die overeenstemming zooveel mogelijk bevorderen. Mem. v. T.

(a) Verg. aant, 59 op art. 10.

(b) Ondersteld. Niet vereischt; zie aant. 49 op art. 10.

(c) Opgemerkt wordt, dat art. 11, tweede lid, sub 1, niet spreekt van zaken, waarop gewoonlijk niet wordt afgeschreven. Behoudens de uitzondering van gebouwen is het artikel op alle zaken toepasselijk, zoodat de wet den belastingplichtige vrij laat in de wijze, waarop hij de kosten,verbonden aan de vervanging van zaken, uit de opbrengst van het bedrijf wil bestrijden, hetzij op den voet van art. 10, tweede lid (door jaarlijksche, gedeeltelijke afschrijving), hetzij op den voet van art. 11, tweede lid (door die kosten als bedrijfskosten in rekening te brengen, m.a.w. door afschrijving in eens).

7. De aandacht wordt er op gevestigd, dat hier alleen sprake is van kosten ter vervanging van zaken.

Kosten van aanschaffing van bedrijfsobjecten vallen nief onder deze uitzondering. Op deze kosten is het eerste lid toepasselijk, hetgeen niet wegneemt, dat art. 10, tweede lid, jaarlijksche afschrijving op die zaken toelaat, of wel, dat bij latere vervanging, de daaraan verbonden kosten als bedrijfsonkosten in mindering worden gebracht.

Zie overigens het vierde en het vijfde lid van aant. 6 hiervoor.