Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

490

BIJLAGE F, I (Wet R. v. B.). — Artt. 8—9.

De aangehaalde artt. 1 en 3 van het Kon. besluit V. v. V. no. 1056 zijn opgenomen in aant. 3, noot b, op art. 3 van het Kon. besluit V. v. V. no. 517, in bijl. G.

(4) Het Kon. besluit van 1884 is vervangen door het Kon. besluit V. v. V. jao. 586; zie art. 30 van dat besluit.

(c) Zie art. 6 hiervoor.

De declaratiën wegens reis- en verblijfkosten worden ingezonden aan het Departement van Financiën. Art. 21 van genoemd Kon. besluit van 5 Januari 1884 is daarop van toepassing (d). Art. 6, alsvoren.

(d) Zie noot b hiervoor.

Als vergoeding voor bureaukosten wordt door de Secretarissen van de Raden genoten een bedrag van ten hoogste twee duizend gulden 's jaars.

Het bedrag dezer vergoeding wordt door Onzen Minister van Financiën geregeld. Art. 7, alsvoren, gewijzigd volgens art. 1 van het Kon. besluit van 4 Nov. 1918, S. no. 582, V. v. Y. no. 1017.

De vergoeding voor bureaukosten wordt tegen quitantie van den Secretaris aan het einde van elke drie maanden uitbetaald door den Ontvanger der directe belastingen, dien genoemde Minister "daartoe aanwijst. Art. 8, alsvoren.

Art. 9. De kosten van buur, verwarming, verlichting en schoonhouden vah het lokaal, waarin de raad vergadert, en van bediening, komen ten laste van het Rijk (1).

1. De kosten van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden van het lokaal, waarin de Raad vergadert, en van de bediening van den Raad worden door Onzen Minister van Financiën vastgesteld en door den Ontvanger der directe belastingen, dien genoemde Minister daartoe aanwijst, aan de daarop recht hebbenden op hun quitantie uitbetaald. Art. 9 van het Kon. besluit van 24 Febr. 1915, S. no. 115, F. v. F. no. 510.

HOOFDSTUK II. Behandeling van het Beroep (1—2).

1. Deze artikelen (nl. artt. 10—17) behelzen weinig nieuws, dat de vermelding waard is. Alleen is nog méér dan in de bestaande wetgeving óp het belang van den aangeslagene gelet, in zoover, dat de schriftelijke beoordeeling van zijn beroep door den belastingambtenaar — hier vertoogschrift genoemd — vóór de behandeling der zaak te zijner kennis wordt gebracht (art. 11, laatste lid). De kennisneming van het vertoogschrift kan appellant wellicht aanleiding geven zijn zaak mondeling voor den Raad te bepleiten, ofschoon dit aanvankelijk niet in zijn voornemen lag. In verband hiermede bepaalt art. 13, dat de belanghebbende in ieder geval een oproeping ontvangt, waaraan hij, desverlangende, gehoor kan geven. Volgens de vigeerende bepalingen wordt hij alleen opgeroepen, indien hij dit reeds bij het instellen van het beroep heeft verzocht.

Is het beroep door den ambtenaar van den Fiscus ingesteld, dan wordt het beroepschrift ter kennis van den belanghebbende gebracht en kan deze een vertoogschrift indienen (art. 12). Ook dit is nieuw. Mem. v. T.

2. Zie hierbij de artt. 26, 27 en 28.

Sluiten