Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

498

BIJLAGE F, I (Wet R. v. B.). — Artt 15.

tant bij den cienst der directe belastingen, de res. van 8 Febr. : 1918, no. 83.

6. Zie, nopens het opzettelijk ter inzage aanbieden van een valsch of vervalscht boek of ander geschrift, art. 119 der WTet op de Inkomstenbelasting 1914 en art, 41 der Wet op de Dividend- en Tantième-belasting 1917.

7. Verg. art. 102 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, art. 33 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917 en art. 52 der Wet op de Vermogensbelasting.

8. Aan de in art. 15 der wet van 19 Dec. 1914, S. no. 564, bedoelde deskundigen wordt, voor zoover zij geen bezoldigde betrekking bij 's Rijks belastingen bekleeden, door den Voorzitter van den Raad van Beroep voor de directe belastingen een vergoeding toegekend overeenkomstig de artt. 61, 63, 65 en 66 van het Tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken (a), met dien verstande, dat de beoordeeling van den Voorzitter in de plaats treedt van die van den rechter en dat voor verblijfkosten niet meer wordt toegekend dan f 0,25 per uur (gedeelten van een uur als een vol uur gerekend) en ten hoogste f 6 per etmaal. In bijzondere gevallen kan de Voorzitter, met afwijking van de artt. 61 en 63 van voormeld tarief, een vacatiegeld toekennen van meer dan twee, tot ten hoogste tien gulden per uur. Art. 1 van het Kon. besluit van 4 Mei 1918, no. 79, F. v. V. no. 952.

(a) Deze wetsbepalingen luiden als volgt:

Art. 61. Aan deskundigen wordt toegelegd een vacatiegeld) geêvenredigd aan hun maatschappelijken stand, beroep en het belang der verrichting, ter beoordeeling van den rechter, welke het onderzoek heeft bevolen, doch niet hooger dan f 2,— voor iedere vacatie van een uur, tot de aan hen opgedragene werkzaamheden besteed.

Het gedeelte van een uur wordt voor een geheel gerekend.

Art. 63. Indien deskundigen zich tot het verrichten hunner werkzaamheden van hun woonplaats moeten verwijderen, wordt hun een gelijk vacatiegeld toegestaan, voor den tijd tot de heen- en terugreis benoodigd.

Art. 65. Aan deskundigen, aan houders of bewaarders van «tukken bedoeld bij art. 64 en aan getuigen wordt, te bepalen door den rechter, toegelegd vergoeding voor:

a. noodzakelijke uitgaven voor reiskosten;

b. verblijfkosten voor verblijf buiten de woonplaats van ten hoogste f 7,50 per etmaal, gedeelten van etmalen 12 uren of meer bedragende voor een geheel, kleinere voor een half etmaal gerekend.

Aan getuigen wordt daarenboven', te bepalen door den rechter, toegelegd vergoeding voor tijdverzuim van ten hoogste f 4 per dag, indien nadeel door tijdverzuim moet geacht worden geleden te worden, gedeelten van dagen voor geheele dagen gerekend.

Art. 66. De reizen worden geacht gedaan te zijn of te worden met openbare vervoermiddelen, tenzij bij gemis daarvan of ten gevolge van bijzondere omstandigheden van andere vervoermiddelen moest worden gebruik gemaakt ter beoordeeling van den rechter.

De vergoeding wordt door den Voorzitter toegeschat aan den voet der declaratie van den deskundige, welke de opdracht van den Raad van Beroep en den tot voldoening aan die opdracht besteden tijd vermeldt.

Het alzoo toegeschatte bedrag wordt door den Ontvanger der directe i belastingen, onder wiens kantoor de woonplaats van den deskundige behoort, aan dezen uitbetaald op zijn onder de beschikking te stellen quitantie. Art. 2, alsvoren.

9. Met betrekking tot de thans vervallen artt. 60, § 4, en 62, § 2, der Wet op de Personeele belasting is indertijd bij res. van 3 Mei 1910, no.98

Sluiten