is toegevoegd aan uw favorieten.

De landarbeiderswet en hare toepassing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

De omstandigheden der laatste jaren hebben, meer dan ooit, de aandacht doen vestigen op het belang van een ruime bodemproductie. Ook wanneer — wat wij hopen —• binnenkort een levendige internationale goederenruil zal zijn hersteld, zal toch het besef blijven bestaan, dat het voor het herstel van het maatschappelijk evenwicht noodig is de voortbrenging zoo hoog mogelijk op te voeren en niet alleen alle arbeidskrachten, maar ook alle gronden tot de grootst mogelijke productiviteit te brengen. De vraag, of uit een oogpunt van productiviteit in den landbouw het groote dan wei het kleine bedrijf den eerepalm wegdraagt, is nog altijd niet beslecht. Naar het ons voorkomt, wint meer en meer veld de overtuiging, dat een algemeen antwoord niet te geven is; dat voor een bloeienden landbouw allerlei bedrijfsvormen naast elkaar noodig zijn, die elk hun taak en hun gebied hebben. Van den aard van den grond, de ligging, de dichtheid van bevolking en andere omstandigheden zal het afhangen, of onder bepaalde omstandigheden landbouw op groote dan wel op kleine schaal het meest productief zal zijn. In den tegenwoordigen tijd is in de meeste landen van Europa de overtuiging waar te nemen, dat bevordering van het kleine landbouwbedrijf, ook door regeeringsmaatregelen, voor het oogenblik gewenscht is. De Staatscommissie voor den Landbouw is voor Nederland tot dezelfde conclusie gekomen.

Het is dan ook misschien te betreuren, dat de Nederlandsche wetgever in de door ons behandelde wet zich uitsluitend tot het grondgebruik van landarbeiders heeft beperkt en niet in 't algemeen de bevordering van het kleine grondbezit heeft ter hand genomen. De ondervinding in het buitenland heeft geleerd, hoe moeilijk beide onderwerpen zijn, uiteen te houden.

Maar in elk geval is het gelukkig, dat in de wet niet — gelijk in het oorspronkelijk ontwerp — bepalingen zijn opgenomen, die het opklimmen van den landarbeider tot kleinen boer zouden hebben verhinderd. Thans is vrijheid gelaten om de uitvoering der wet aan te passen aan de maatschappelijke ontwikkeling en is niet het arbeiderslandgebruik in vooraf beraamde, soms knellende vormen vastgelegd.

Het is gewenscht dat zij die de wet hebben uit te voeren, aan deze ontwikkeling vrije baan laten. Op blz. 32 hebben wij gezegd het niet in strijd met de wet te achten, wanneer bij de uitgifte van plaatsjes beperkingen in het gebruik van den grond onder de voorwaarden worden opgenomen. Wij hebben er toen reeds bijgevoegd het opnemen van dergelijke beperkingen niet aanbevelenswaard té achten. Dit laatste zij