Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

HET BESTAANSRECHT DER BIJZONDERE ARMENZORG.

den regel uit ij delheid, bezighoudt met iets, waarvan hij beter deed zich verre te houden; zonder vakkennis, of, wat veelal erger is, met halve kennis, toch zich inbeeldend, dat hij iets van eenige waarde zou kunnen praesteeren....

Wie gevoelt niet mee de ergernis van den vakman tegen het concurreerend geliefhebber van onbevoegden of halfbevoegden, die (in den regel met de vereischte bescheidenheidsbetuigingen) zich op zijn gebied komen opdringen, eigenlijk enkel om „den boel in de war te sturen."

Inderdaad, het is geen onverdeeld aangename cliënt, het dilettantisme, om als zijn verdediger op te treden. Toch zal zijne verdediging de eigenlijke strekking zijn van hetgeen ik in het midden ga brengen.

Zoo mag ik dan allereerst een tegenovergestelde omschrij- ■ ving van het dilettantisme beproeven. Zou dilettant niet een eere-naam kunnen zijn? Dilettant is wie zich, buiten zijn vak, met iets anders bezighoudt — enkel uit liefde voor dat andere. Is dit nu zoo verwerpelijk ?

Waarlijk de dilettant handelt niet voor zijn eigen plezier,

of uit ij delheid — of om soortgelijk motief. Het is niet

prettig dilettant te zijn. Zelfs al heeft men van den aanvang af zich er overheen gezet soms te worden verdacht gemaakt; al weet men zich zuiver van onedele motieven — toch blijft de dilettantenpositie niet benijdenswaard. De dilettant beroept zich op zijn liefde voor de zaak. Maar nu is „liefde" een te groot woord, dan dat men in alledaagsch verweer het steeds wil laten klinken; een woord té mooi, té zeer intiem gevoel betreffend, te heilig zou ik durven zeggen — dan dat wie wordt aangevallen het gaarne zoude gebruiken als dagelijksch wapen tot afweer van aangevoerde „stellingen". Is de „liefde" voor de zaak in debat gebracht, dan is het debat ook afgeloopen.

Ik mag dit verduidelijken door een analogie. Men denke aan de tegenstelling diaconale armenzorg tegenover burgerlijke. Zoodra de verdediger der eerste betoogt, dat een gulden, uitgereikt door een diaken twee gulden vertegenwoordigt, terwijl de gulden, dien het Burgerlijk Armbestuur geeft, een gulden blijft en zich hierbij beroept op de „broederliefde", waarmede de gave geschiedt ...... is

Sluiten