is toegevoegd aan je favorieten.

Wet van den 9den april 1875, S. 67, zooals die wet is gewijzigd ..., tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 314 —

Besluit van den 5den -Maart 1921, 8. 174, tot wijziging van het Koninklijk besluit van 11 Mei 1911 (Staatsblad n°. 126) tót regeling van het algemeen toezicht op de spoorwegdiensten.

Wij WILHELMINA, nz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 4 Februari 1921, L>. L, afdeeling Spoorwegen;

Gelet op artikel 10 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 Juli 1915 (Staatsblad n°. 321);

Den Baad van State gehoord (advies van 22 Februari 1921, n°. 27);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 3 Maart 1921, n°. 362, afdeeling Spoorwegen;

Hebben goedgevonden en verstaan :

het Koninklijk besluit van 11 Mei 1911 (Staatsblad n°. 129) te wijzigen als volgt:

1°. Artikel 5 wordt aldus gelezen:

„De leden van den Baad mogen geen andere betrekkingen waarnemen dan met toestemming van Onzen Minister van Waterstaat."

2°. De artikelen 28 en 32 vervallen.

3°. Het eerste lid van artikel 33 wordt gelezen als volgt:

„Onder den Baad kunnen worden aangesteld rijksingenieurs voor de spoorwegen, adjunct-ingenieurs, technische ambtenaren en opzichters in algemeenen dienst".

4°. Het vierde lid van artikel 33 vervalt.

5°. Het eerste lid van artikel 34 wordt gelezen als volgt:

„Voor de rijksingenieurs voor de spoorwegen en de opzichters in algemeenen dienst worden door den Baad instructiën vastgesteld."

6°. Artikel 36 wordt gelezen als volgt: -"'„Mét het dagelijksch toezicht op het rollend materiëel en op de tot de spoorwegen behoorende electrische inrichtingen, dienende tot beweegkracht op en tot de heveiliging van de spoorwegen, zijn belast rijksingenieurs, onderscheidenlijk voor het stoomwezen en voor de electrische inrichtingen der spoorwegdiensten.

Ten aanzien van de tramwegen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, letter b, der Locaalspooren Tramwegwet, zal dit toezicht ook kunnen worden opgedragen aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 37, eerste lid"

7°. Artikel 37 wordt gelezen als volgt:

„Met het dagelijksch toezicht op de uitoefening der spoorwegdiensten in hun geheelen omvang, op het onderhoud van de spoorwegen en van wat daartoe behoort, alsmede op de uitvoering van werken op in exploitatie zijnde spoorwegen,; < zijn belast rijksinspecteurs der spoorwegdiensten.

„Het gedeelte van het dagelijksch toezicht, waarmede de rijksingenieurs voor de spoor wegen en de opzichters in algemeenen dienst mede zijn belast, wordt bij hunne instructie omschreven."