is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 2den Mei 1863, S. 50, zooals deze bij de wetten van 28 Juni 1876, S. 143, 25 April 1886, S. 64, 9 Mei 1890, S. 78, 28 mei 1901, S. 123, 22 Mei 1905, S. 141, 5 Juni 1905, S. 154, 27 Mei 1907, S. 128, 14 Juni 1909, S. 173, 15 December 1917, S. 700 en 28 April 1918, S. 267, is gewijzigd, houdende regeling van het Middelbaar Onderwijs met besluiten ter uitvoering, aanteekeningen en alphabetisch register

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 115 —

keuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen:

o. ingeval van stichten of verbouwen, de bouwkundige teekeningen met bestek, zoomede eene raming van de bouwkosten;

6. ingeval van aankoop of huur het ontwerp koop- of huurcontract;

c. ter zake van de'inriehting, eene raming van de inrichtingskosten.

11. Als kosten, bedoeld in artikel 9, komen in aanmerking de in het afgeloopen jaar gedane uitgaven voor het stichten, verbouwen, aankoopen of huren, zoomede voor het inrichten en onderhouden van een gymnastieklokaal, gedaan volgens de krachtens het voorafgaand artikel door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken goedgekeurde stukken, van welke uitgaven de bewijzèn zijn overgelegd bij den staat, bedoeld in artikel 6 van dit besluit.

12. Indien de kosten, bedoeld in artikel 9, zijn begrepen in de kosten van het schoolgebouw, zoo wordt het bedrag, dat geacht moet worden voor het gymnastieklokaal te zijn besteed, op kosten van de instelling .of vereeniging, onder welker bestuur de hoogere burgerschool staat, geschat door drie deskundigen, van wie één wordt benoemd door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, de tweede door het bestuur en de derde door de twee benoemde deskundigen. Indien de twee deskundigen omtrent het benoemen van een derden niet tot overeenstemming kunnen geraken, doen zij daarvan mededeeling aan Onzen genoemden Minister. Deze draagt alsdan den burgemeester der gemeente, waar de hoogere burgerschool is gevestigd, op, den derden deskundige te benoemen.

De drie deskundigen bepalen het bedrag der kosten, dat geacht moet worden besteed te zijn ten behoeve van het gymnastieklokaal, en zenden de akte van taxatie aan Onzen genoemden Minister.

Indien de drie deskundigen niet eenstemmig zjjn in de bepaling van dat bedrag, in dier voege dat er eene meerderheid en eene minderheid bestaat, dan worden de kosten vastgesteld op het door de meerderheid geschatte bedrag, terwijl, indien ieder der drie deskundigen een verschillend cijfer aangeeft, de kosten bepaald 8*