is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 24sten juni 1901, S. 160, ..., tot regeling van de landweer en van de opheffing van de schutterijen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 91 —

C, en houdende gegevens, noodig bij de inschrijving van de dienstplichtigen in het verlofgangersregister van de landweer.

2. Indien de in het vorig lid bedoelde opgaaf namen mocht bevatten van verlofgangers, die sedert 17 Juli t. v. de gemeente hebben verlaten, doet de burgemeester tusschen den lsten en den oden Augustus d.a.v. mededeeling:

van de namen dier verlofgangers en van de op hen betrekking hebbende gegevens, aan den burgemeester van de gemeente, waarheen zij zich hebben begeven ;

van hunne namen en van de gemeente hunner nieuwe vestiging, aan den districtscommandant, die de opgaaf model C inzond.

3. Indien in het verlofgangersregister van de militie der gemeente tusschen 17 Juli en 1 Augustus namen van tot overgang naar de landweer bestemde verlofgangers mochten zijn opgenomen, welke niet vermeld rijn in de in het eerste lid bedoelde opgaaf, doet de burgemeester van die namen, eveneens tusschen den lsten en den oden Augustus d.a.v., opgaaf aan den commandant, in het vorig lid bedoeld, onder vermelding van de gemeente, van waar de verlofgangers zijn gekomen en van het korps of het dienstvak, waartoe zij laatstelijk bij de militie behoorden. De districtscommandanten verrichten het vereischte voor de overgave en de overname dezer verlofgangers. Voorts geldt ten deze het bepaalde in § 7, vijfde lid.

4. De districtscommandant doet jaarlijks van de in § 8 bedoelde indeeling blijken aan de compagnieën door toezending op den lOden Augustus, of den daaraan laatst voorafgaanden werkdag, van staten, ingericht volgens het bij de^e instructie behoorend model B.

5. Met de staten model B worden aan de compagnieën, ieder voor zooveel de daarbij nieuw ingedeelden betreft, toegezonden de straflijsten en de controlelijsten, in § 3 bedoeld.

6. De straflijsten blijven bij de compagnieën voorloopig berusten. Z\j worden binnen vijf dagen na den dag, waarop de dienstplichtigen, wie zij gelden, uit den dienst zijn ontslagen, ter oplegging bij de op die dienstplichtigen betrekking hebbende bataljonsstamboeken voor de infanterie of districtsstamboeken voor de andere wapens of de dienst-