is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 24sten juni 1901, S. 160, ..., tot regeling van de landweer en van de opheffing van de schutterijen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 115 —

de verlofganger, die in het in het vorig lid bedoelde geval verkeert, verblijf houdt, van dat geval kennis aan den districtscommandant of aan de autoriteit, bedoeld in artikel 29 der wet, onder overlegging van eene ter zake betrekkelijke geneeskundige verklaring. De verlofganger, in het vorig lid bedoeld, moet later, in de maand December van het jaar, indien alsdan de besmettelijke ziekte heeft opgehouden in het gezin te heerschen, het onderzoek ondergaan, op den tijd en de plaats, door den districtscommandant te bepalen. Bij het bepalen van het tijdstip, waarop de in het vorig lid bedoelde verlofganger, alsook bij voorkomend geval de in artikel 28, vijfde lid, van het besluit bedoelde verlofganger, voor zoover deze wegens het lijden aan eene besmettelijke ziekte verhinderd was in November van het jaar aan het onderzoek deel te nemen, in December van het jaar het onderzoek moet ondergaan, houdt de districtscommandant er rekening mede, dat de verlofganger eerst aan bedoeld later-onderzoek behoort te worden onderworpen nadat acht dagen zijn verloopen sedert de besmettelijke ziekte volgens schriftelijke verklaring van een geneeskundige geweken is, tenzij ontsmetting overeenkomstig art. 25 der in het eerste lid vermelde wet heeft plaats gehad.

9. De verlofgangers, die door ziekte of gebreken verhinderd zijn tot bnwoning van het onderzoek, zijn gehouden, tijdig vóór den aanvang van het onderzoek aan den districtscommandant, c.q. aan de autoriteit, die in stede van den districtscommandant het onderzoek houdt,, te doen toekomen een geneeskundig getuigsohrift, stavende, dat zij niet in staat zijn tot het ondergaan van het onderzoek ten tijde, daarvoor aangewezen. Voor zooveel deze getuigschriften verlofgangers betreffen, die zich buiten het Rijk bevinden, geldt hiervoor hetgeen ter zake de afgifte en in algemeenen zin ook hetgeen omtrent den inhoud van dergelijke stukken bepaald is in § 59, eerste lid, tweeden volzin.

(Zie artt. 29, 30 Lw.W.; art. 28 Lw.B. I; §§ 38, 44, 46 Lw.I. I.)

§ 41.

Voor zoover zulks niet reeds' vroeger ge-