is toegevoegd aan uw favorieten.

Welke maatregelen kunnen getroffen worden door burgerlijke, kerkelijke en bijzondere instellingen van armenzorg om meervoudige ondersteuning,met hare nadeelen, te vermijden?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

VERHOUDING TUSSCHEN ARMENZORG EN OUDERDOMSVERZ.

maar vooral ook de behoeftigen die tehuis met geld worden ondersteund. En nu geeft de statistiek van het armwezen wel cijfers, zoowel aangaande het totaal aantal bedeelden, als omtrent'het aantal van hen, die boven 70 jaar zijn en van hen, die door ouderdom ondersteuning behoeven. Maar — afgezien daarvan dat hierbij alleen de cijfers der georganiseerde armenzorg konden worden in acht genomen — geven die totaal cijfers geen nauwkeurig beeld, o.a. doordat zij mede behelzen allen, die reeds vroeger hulp noodig hadden en op hun ouden dag bedeeld zijn gebleven, de eigenlijke paupers dus, en doordat zij dubbeltellingen bevatten. Aan den eenen kant zijn de cijfers dus te hoog, dan dat zij een juist beeld zouden geven van hen, die, na een zelfstandig leven, eerst op hun ouden dag armlastig werden. Aan den anderen kant blijkt niet, hoeveel werkelijk bedeelden die cijfers representëeren, m. a. w. in hoever de bedeeling van het hoofd van het gezin ook beteekent onderstand aan zijn, eveneens bejaarde vrouw. Om het werkelijk aantal oude bedeelden over het geheele land te weten, zou men dus moeten gaan corri. geeren en schatten, maar daarmede zou men per slot toch niet veel verder komen dan tot een vermoeden, dat thans reeds op grond van de door waarneming verkregen indrukken bestaat. Dat vermoeden is, dat een belangrijk deel van de ouden van dagen wordt bedeeld. Dat zou trouwens overeenkomen met wat b.v. voor Engeland in 1895 werd geconstateerd, dat bijna 30 % van alle personen boven 65 jaar in den loop van een jaar werden bedeeld. Maar hoe groot het cijfer dan ook precies moge zijn, vast staat wel, dat een belangrijk deel der ouden van dagen op de armenzorg is aangewezen of mede is aangewezen.

waaruit blijkt dat het aantal personen, dat op deze wijze kan worden

ondergebracht, niet heel groot is. In totaal was slechts plaats: in gestichten voor 1583 mannen en 1772 vrouwen, in hofjes „ 21 „ „ 1102 ,

en voorts voor 488 gehuwde paren, waarvan voor 380 in hofjes en 108

in een gesticht.

Te samen konden dus in Amsterdam 5454 oude lieden worden ondergebracht, waarvan 1077 voor rekening der gemeente, 4251 voor rekening van kerkelijke of kerkelijk gekleurde instellingen en 126 voor rekening van particuliere neutrale instellingen.