Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6 — 10 —

bij het rapen van eieren van andere dan de genoemde vogels, zooals kluiten, daakjes, scholeksters en koeten zou worden mogelijk gemaakt, zou onvereenigTjaar zijn met de bepalingen der Conventie van Par^s.*1' '

Een amendement, strekkende om achter het woord „meeuwvogels" de woorden „kluiten, koeten en scholeksters" in te voegen, werd verworpen.

— Zie de aant. op art. 6 en 27,

Art. 6. De in bet -vorige artikel bedoelde vergunningen worden bij verzoekschrift aangevraagd aan Onzen Commissaris in de provincie, waar de gronden, waarop de verzoeker eieren van meeuwvogels wenscht te rapen, gelegen zijn, en door dien Commissaris verleend.

„Blijkens het verband tusschen de artikelen 5 en 6 is de Commissaris der Koningin niet verplicht eene aangevraagde vergunning te verleenen." (M. v. A. 2« K.)

Bjj de behandeling in de 2« Kamer werd gevraagd of de vergunning bij voortduring dan wel slechts voor een bepaald sijzoen zal gelden. Volgens de meening van de Regeering kon dat overgelaten worden aan den Commisares der Koningin.

— Zie de aant. op art. 27.

Art. 7. Het is verboden nesten van beschermde vogels opzettelijk te verstoren^ ten verkoop voorhanden te hebben, te koop aan te bieden, te verkoopen, af te leveren of te vervoeren.

„De vraag, of door het verbod van dit artikel ook wordt getroffen hij, die opzettelijk nesten verstoort, nadat de jongen reeds zijn uitgevlogen, moet bevestigend worden beantwoord." (M. v. A. 2« K.)

Art. 8. Het in het vorige artikel bepaalde is, voor zoover het opzettelijk verstoren van in of tegen gebouwen of in binnenplaatsen zich bevindende nesten

Sluiten