is toegevoegd aan uw favorieten.

Warenwet 1919, S. no. 581

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 113 —

schalen hij een temperatuur van 102°—105° tot constant gewicht gedroogd.

Voor de bepaling van de droge stof in de kruim wordt de korst met een scherp mes zuiver weggeschild en ongeveer 50 g. van de kruim op Doven aangegeven wijze behandeld. Deze 50 g. moeten genomen worden uit verschillende gedeelten van het geschilde brood, zoodanig, dat de samenstelling zoo goed mogelijk met die der kruim van het geheele brood overeenkomt.

Bepaling van het vet in de kruim.

Voor de bepaling van het gehalte aan vet in de kruim worden op 25 g. kruim (waarvan het watergehalte bekend moet zijn) 100 cM3. kokend water gegoten en, na toevoeging van 25 cM'. zoutzuur, (s. g. 1,13) gedurende 2 uren onder terugvloeiing gekookt. Daarna wordt het tot kamertemperatuur afgekoeld en door een nat filter afgefiltreerd. Het hierop achterblijvende wordt met koud water uitgewasschen, totdat de zure reactie is verdwenen. Het filter met de zich daarop bevindende vaste stof wordt gedroogd bij 102"—105° c en vervolgens in een Soxhletapparaat met petroleumaether of tetrachloorstof volledig geëxtraheerd.

Het extractiemiddel wordt daarna volledig verwijderd en het kolfje met vet gewogen.

Het vetgehalte wordt berekend op de droge stof van de kruim.

Bepaling van het Beichert- Wollny getal.

Voor de bepaling van het R.W.-getal wordt het broodvet op de volgende wijze verkregen:

Op 300 g. broodkruim worden 500 g. kokend water gegoten en na toevoeging van 100 cM3. zoutzuur (s. g. 1,13) gedurende 2 uren onder terugvloeiing gekookt. Daarna wordt tot kamertemperatuur afgekoeld en vervolgens door een nat filter afgefiltreerd. Het hierop achterblijvende wordt met koud water uitgewasschen, totdat de zure reactie is verdwenen. Het filter met de zich daarop bevindende vaste stof wordt gedroogd bij 102°—105° c. De massa laat zich dan voor het grootste gedeelte zeer gemakkelijk van het papier verwijderen en wordt met het filter in een vetvrije huls, afgesloten door een propje ontvette watten, met petroleumaether of tetrachloorkoolstof uitgetrokken, onder zoodanige omstandigheden, dat aanvankelijk de huls zich bevindt ih de kokende vloeistof en latei* in den damp.

Het extractiemiddel wordt daarna volledig verwijderd.

Van het zoo noodig gefiltreerde vet worden 5 g. afgewogen (bedraagt de beschikbare hoeveelheid niet 5 g., maar ten minste 2,5 gram, dan wordt tot 5 g. met olie, waarvan het R. W.-getal niet hooger is dan 0,5, aangevuld) en in een droge kolï van ongeveer 300 <Af}H. inhoud gebracht en hierbbij gevoegd 20 cM'. glycerine (s. g. 1,23), 2 cM3. natronloog (s. g. 1,47) en een paar stukjes puimsteen. Op de