Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2 — 8 —

of niet onder het begrip „pand" moet worden gebracht, is lid 3 opgenomen.

Van gemeentelijke banken van leening.

Art. 2. 1. In elke gemeente, waarin aan een gemeentelijke bank van leening genoegzame behoefte bestaat, wordt zoodanige bank opgericht.

2. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd, den raad gehoord, om zoo zij oordeelen, dat een gemeente nalatig is in het nakomen van de in het vorige lid bedoelde verplichting, de oprichting te bevelen.

3. De gemeenteraad kan binnen dertig dagen, te rekenen van de dagteekening der beslissing van Gedeputeerde Staten, bij Ons van die besüssing in beroep komen.

Dit artikel is bij amendement in de wet gebracht. In het V. V. le K. werden bezwaren aangevoerd. Eenige leden zagen in de bepaling eene aanranding van de autonomie der gemeenten en achtten het in strijd met het beginsel dat eene gemeente zich zelve heeft te besturen, dat aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid wordt gegeven een deel van de bestuurstaak over te nemen. In de M. v. A. le K. betoogde de Minister, dat niet het eerste lid van art. 144 der Grondwet, maar het derde lid toepasselijk is, zoodat van aanranding der autonomie geen sprake is. „De ondergeteekende — zoo vervolgt de Minister — stemt in met de meening, dat de behoeft* aan een. gemeentelijke bank van leening het best kan worden beoordeeld door hen, die geroepen zijn tot het besturen der gemeente. Niet licht zal een andere dan de plaatselijke autoriteit voldoenden grond hebben om haar oordeel als beslissend uit te spreken. Toch kan het geval zich voordoen, dat de behoefte overduidelijk openbaar wordt en de gemeente desniettemin weigerachtig blijft, in den dringenden nood te voorzien. Dat in zoodanig geval een hoogere autoriteit zich voor het verwaar-

Sluiten