Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

er grond was voor die klachten, doch ook dat de betrokken gemeentebesturen niet steeds even actief waren in het doorzenden der kaarten aan den ambtenaar, speciaal belast met de werkloosheidsverzekering. Spreker wilde in deze zoowel de kas- als de gemeentebesturen tot de grootst mogelijke activiteit aansporen.

De toepassing der witte kaarten heeft in het Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheidsraad tot eene belangrijke bespreking geleid. Ten eerste werd behandeld de vraag, of de kaarten geheel zouden kunnen vervallen en ten tweede, of de toezending der kaarten kon beperkt blijven tot de (dertien) gemeenten, waar centrale kassen gevestigd zijn.

Op de eerste vraag antwoordde spreker dat volgens het „Werkloosheidsbesluit 1917" elke gemeente subsidie betaalt voor ingevolge dat besluit verzekerde personen, die in de gemeente woonachtig zijn. Zonder contröle der witte kaarten aan de hand der bevolkingsregisters zou hieromtrent geene zekerheid bestaan.

Ten aanzien van het tweede systeem zij opgemerkt, dat de 13 bedoelde gemeenten geenerlei zekerheid zouden hebben, dat de personen, op de witte kaarten vermeld, in de gemeenten werkelijk woonplaats hebben. Wilden zij dit bevestigd hebben, dan zou toch weer heen- en weerzending der kaarten naar alle gemeenten moeten geschieden en kwam men weer voor hetzelfde feit te staan.

Een ander aanbevolen stelsel is het Rijk alle subsidie te laten betalen, dus niet meer de gemeenten met een deel daarvan te bezwaren.

Zoolang de verzekering echter berust op het „Werkloosheidsbesluit 1917", kan de Dienst onmogelijk tot «ene andere regeling besluiten. Eenig geduld moge hierbij worden uitgeoefend, nu het zich laat aanzien, dat spoedig de wettelijke regeling zal komen.

Op de yraag, of het niet mogelijk zou zijn de contröle te beperken tot die administraties, welke in de praktijk bleken deze noodig te hebben en zich dus te beperken tot gevallen van twijfel, antwoordde spreker, dat, indien de zaak er zoo voor zou staan, hij gaarne zou zeggen, laten wij het probeeren. Doch de praktijk leert wel anders. In 1917 zijn n.1. door de gemeentebesturen in de bijdrage-bedragen 3264 en in de uitkeeringsbedragen 385 wijzigingen aangebracht. Voor 1918 zijn die cijfers te zamen 5400, terwijl de gegevens over het tijdvak September—December nog niet alle binnen zijn. Voor het geheele jaar 1918 zullen die cijfers vermoedelijk tusschen de 7000 en 8000 zijn. Tal van wijzigingen vinden hare oorzaak in de onjuiste opgaaf der woonplaats. Dit feit bestaat, de Dienst moet er rekening mee houden en naar

Sluiten