Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

S. 11°. 7, houdende bepalingen tot uitvoering van de artikelen 38 en 39 van het Wetboek van Strafrecht, bij de tweede der Kinderwetten is ingetrokken.

Intusschen zijn de wijzigingen, door de eerstgenoemde wet aangebracht, niet enkel zoodanige als door voorschreven beginsel werden ingegeven. Het geheele onderwerp der ouderlijke macht en der voogdij is bij deze gelegenheid aan eene herziening onderworpen en daarbij hebben enkele onderdeden van het burgerlijk recht wezenlijke veranderingen ondergaan. Met name de rechtsbevoegdheid der vrouw.

In aansluiting met de vervanging van de uitdrukking „Vaderlijke macht" door „Ouderlijke macht", is in de bevoegdheden, welke den vader en die der moeder toekomen ten opzichte van het kind, eenige meerdere gelijkheid gebracht. Men zie de nieuwe bepalingen aangaande de toestemming voor het huwelijk van het kind vereischt, en die betreffende het vruchtgenot van de goederen van het kind. Ook bestaat het recht om de functièn van voogd waar te nemen voortaan zoowel voor de gehuwde als de ongehuwde vrouw.

Eene andere wijziging, welke aan het voornaamste doel der wet: — eene betere kinderverzorging, — slechts verwant is, is de verschuiving van het tijdstip der meerderjarigheid van 23 naar 21 jaar.

Wat betreft de bétere verzorging van kinderen, die onder de hoede hunner natuurlijke verzorgers aan goede zorg of strenge tucht te kort komen, wordt door de wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek enz. het instituut van ontzetting uit- en ontheffing van de ouderlijke macht ingevoerd. Ontheffing zal plaats kunnen vinden indien degeen, die de ouderlijke macht uitoefent, ongeschikt of onmachtig is zijne plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en hij

Sluiten