Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

opruiming, dat overschot, en zoo het meer bedraagt, eene som gelijkstaande met het bedrag der kosten van opruiming, storten in de kas van den beheerder van het water, ter plaatse als in de laatste alinea van art. 6 bedoeld.1

Art. 8. De burgemeester doet van den verkoop rekening en verantwporn ding aan den beheerder van het water en stort het batig saldo in de consignatiekas, om aldaar drie jaren lang ten behoeve van de daarop rechthebbenden te worden bewaard. Na het verstrijken van dien termijn, vervalt dat saldo aan de kas, waaruit de kosten van beheer van dat water, waarin de opruiming, is geschied, worden gekweten.

Art. 9. De kosten, krachtens deze wet gemaakt, komen, voor zooveel zij niet door belanghebbenden] ,jïijn terugbetaald of uit de opbrengst van het krachtens art. 5 verkochte kunnen worden gekweten, ten laste van den beheerder van het water, onverminderd diens bevoegdheid om, indien het zinken, stranden, of aan den grond geraken van een opgeruimd vaartuig of ander voorwerp aan schuld of opzet is toe te schrijven, de krachtens dit artikel te zijnen laste komende kosten te verhalen op hem, door wiens schuld of opzet het vaartuig of ander voorwerp is gezonken, gestrand of aan den grond .geraakt.

1 Bij missive van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 19 April 1886, C. V., is bepaald, dat de storting" voortaan uitsluitend zon moeten plaats hebben bij den betrokken Rijks-betaalmeester.

Zie omtrent de *opvattingen van de Algemeene Rekenkamer met , betrekking tot de rekening en verantwoording de missive van denzelfden Minister van 7 Juli 1886, C. V.

Sluiten