is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 11 Januari 1904, S. 7, gewijzigd bij de wet van den 2 Januari 1905, S. 2, betreffende aanleg, exploitatie en gebruik van telegrafen en telefonen (Telegraaf- en Telefoonwet 1904, [Staatsblad N°. 7])

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

teiten en aan elkander onderling, alsmede telegrammen betreffende den kustwacbtdienst van de inspecteurs van het loodswezen, de commissarissen der loodsen en den chef der militaire kustwacht (wat dezen laatste betreft, na instelling van den „voorloopigen militairen kustwachtdienst");

m. telegrammen van den chef van het loodswezen te Vlissingen aan zijn ambtgenoot te Antwerpen;

n. telegrammen gewisseld tusschen den raad van toezicht op de spoorwegdiensten en de ambtenaren, onder de bevelen van den raad geplaatst, alsmede de telegrammen gewisseld tusschen den raad en de daaronder behoorende ambtenaren eenerzijds en de bestuurders van spoorwegdiensten anderzijds;

o. telegrammen van burgemeesters betreffende de bestrijding van veeziekten, gericht aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, aan den Directeur-Generaal van den Landbouw en aan ambtenaren van het veeartsenijkundig Staatstoezicht;

p. telegrammen betreffende het buitengewoon militair vervoer over de spoorwegen, van den directeur van het etappen- en verkeerswezen, de officieren en oud-officieren, dienstdoende bij het bureel voor buitengewoon militair vervoer, de leden der stationscommissiën, de bestuurders van spoorwegdiensten, benevens de op voordracht van genoemde bestuurders door den chef van den generalen staf, of den directeur van het etappen- en verkeerswezen, aan te wijzen spoorwegambtenaren, zonder dat dit uit eenige aanwijzing op het telegram behoeft te blijken; alles vanaf het tijdstip, waarop de vordering der spoorwegen is ingegaan, krachtens artikel 60 van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67);

q. militaire telegrammen met spoed, welke worden verzonden, hetzij in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, hetzij in geval eenig grondgebied van het Rijk in staat van oorlog of van beleg is verklaard en dan van en naar dat gebied, uitsluitend door of aan den Minister van Oorlog, door of aan den Minister van Marine, door of aan den Opperbevelhebber