is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 28sten April 1913, S. 149, zooals die wet nader is aangevuld en tijdelijk gewijzigd tot regeling van de verplichtingen ten aanzien van den landstorm

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

3. Ten aanzien van huiswaarts gezonden dienstplichtigen, zoomede van dienstplichtigen wier verblijf in werkelijken dienst een einde heeft genomen of wordt geacht een einde te hebben genomen, wordt, zoo zij bij de zeemacht in werkelijken dienst waren gesteld, afgescheiden van de in het vorig lid bedoelde nominatieve opgaven, bovendien numerieke opgaaf ingezonden aan het Departement van Marine.

§ 29. 1. Het bewijs van vervulden werkelijken dienst bij den landstorm, ingevolge artikel 14 der wet af te geven aan den daarbij in dienst gestelden dienstplichtige, die huiswaarts wordt gezonden omdat hij tot dezen dienst niet verder kan of behoeft te worden verplicht, is ingericht volgens het bij deze instructie behoorend model VI.

2. De bewijzen, bedoeld in het vorig lid, worden aan de daarop aanspraak hebbenden uitgereikt door hun bevelhebber.

TITEL V. Van de vergoeding.

§ 30. De burgemeester geeft aan hen, wier verzoeken om de in artikel 26 van het besluit bedoelde vergoeding niet naar eisch onderteekend of onvoldoende van inhoud zijn, wijziging of aanvulling daarvan in overweging.

§ 31. 1. De burgemeester stelt een onderzoek in naar de gegrondheid van het verzoek om vergoeding. Voor zooveel betreft verzoeken van personen, die gevestigd zijn in het Duitsche Rijk of in het Koninkrijk België, kan de burgemeester, zoo noodig, tot het instellen van bedoeld onderzoek de medewerking inroepen van de daarbij betrokken Nederlandsche Consulaire Ambtenaren; voor zooveel betreft verzoeken van personen, die elders in den vreemde gevestigd zijn, staat het den burgemeester vrij, zich, zoo noodig, tot het bekomen van inlichtingen te wenden tot den Minister van Buitenlandsche Zaken.

vember 1917 (L. O. 1917, B 331) is bepaald, dat tijdens den verderen duur van de huidige bijzondere omstandigheden geen toezending aan het Departement van Oorlog plaats heeft van de nominatieve opgaaf, vermeld in § 28, eerste en tweede lid dezer instructie.