Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2 - 8

onder de uitdrukking "„ „vaste aanstelling" ". Het antwoord der Begeering luidde: „ „Het is niet wel mogelijk eene goede definitie te geven van de uitdrukking „ „vaste aanstelling"". Daaronder toch zijn wel te verstaan aanstellingen voor het leven, doch geenszins alle aanstellingen tot wederopzeggens toe.. Immers tot die laatste behooren ook de tijdelijke.

De uitdrukking is overgenomen uit vroegere wetten en in de praktijk is daaraan deze beteekenis toegekend dat onder vaste aanstellingen worden verstaan alle diegene waarin niet uitdrukkelijk het tegenovergestelde gezegd wordt, bijv. door de bijvoeging dat de benoeming zal zijn tijdelijk, voor een bepaalden tijd, tot wederopzeggens of iets dergelijks" ".-

De bedoeling der Begeering was dus dat met betrekking tot de interpretatie der genoemde woorden zou worden vastgehouden aan de praktijk onder vigeur' van vroegere wetten waaruit zij waren overgenomen. Natuurlijk had zij daarbij bepaaldelijk het oog op de praktijk onder de werking van de burgerlijke pensioenwet van 1846. Ook in het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer betreffende het ontwerp dier wet werd bij art. 2 gevraagd wat bedoeld werd met „ „vaste aanstellingen" ". „ „Zijn" ", zoo vroeg men, „ „daaronder ook tijdelijke bedieningen begrepen, b.v. die van kantonregter ?"" (1). De Begeering antwoordde : ,, „Onder vaste aanstelling wordt verstaan de bepaalde benoeming tot een ambt in tegenstelling van de opdragt der interimaire waarneming daarvan.

In dezen zin hebben de kantonregters eene vaste aanstelling. Uit het oogpunt van de opzegbaarheid der ambten die niet ad vitam zijn begeven, is elke bediening tijdelijk, maar die van den kantonregter minder dan anderen, omdat te zijnen aanzien de opzegbaarheid beperkt is." "

Met deze uitlegging toonde de Kamer zich

(1) Art. 37 der wet op de rechterlijke organisatie luidde vóór de invoering van de wijzigingswet van 9 April 1877 (Staatsblad n°. 73) aldus: „De kantonrechters, plaatsvervangers en griffiers worden door den Koning aangesteld voor vijf jaren. Zij zijn telkens weder benoembaar." (Offic. aant.)

Sluiten