Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6 — 8 —

Art. 6. De in het vorige artikel bedoelde vergunningen worden bij verzoekschrift aangevraagd aan Onzea Commissaris in de provincie, waar de gronden, waarop de verzoeker eieren van meeuwvogels wenscht te rapen, gelegen zijn, en door dien Commissaris verleend.

„Blijkens het verband tussehen de artikelen 5 en 6 is de Commissaris der Koningin niet verplicht eene aangevraagde vergunning te verleenen." (M. v. A. 2e K.)

— Bij de behandeling in de 2e Kamer werd gevraagd of de vergunning bij voortduring dan wel slechts voor een bepaald seizoen zal gelden. Volgens de meening van de Regeering kon dat overgelaten worden aan den Commissaris der Koningin.

—• Zie de aant. op art. 27.

Art. 7. Het is verboden nesten van beschermde vogels opzettelijk te verstoren, ten verkoop voorhanden te hebben, te koop aan te bieden, te verkoopen, af te leveren of te vervoeren.

„De vraag, of door het verbod van dit artikel ook wordt getroffen hij, die opzettelijk nesten verstoort, nadat de jongen reeds zijn uitgevlogen, moet bevestigend worden beantwooid." (M. v. A. 2e K.)

Art. 8. Het in het vorige artikel bepaalde is, voor zoover het opzettelijk verstoren van in of tegen gebouwen of in binnenplaatsen zich bevindende nesten van beschermde vogels betreft, niet van toepassing op de gebruikers van die gebouwen en hunne lasthebbers.

„In art. 5 van de wet van 1880 wordt den gebruikers van bij een woning behoorende erven en van tuinen, fruitboomgaarden en kweekerijen, de vrijheid gelaten, om de bij die wet beschermde dieren te vangen of te dooden en de zich aldaar bevindende eieren en nesten uit te halen, te vernielen en te versto-

Sluiten