Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

electrische t nergie voor de algemeene welvaart heeft, zelf de zorg voor de stroomvoorziening op zich genomen. Het verdient vermelding, dat op dit oogenblik door de Staten dier provincies al ettelijke millioenen tot voormeld doel

zijn gevoteerd

Het kan niet op den weg van het Rijk liggen den hoogst belangrijken arbeid, welken, blijkens het vorenstaande, de provincies door hunne wetgeving in deze aangelegenheid hebben verricht, op zij te zetten of ook maar voorbij te gaan. Veeleer zal het streven van het Rijk er op moeten zijn gericht, het bestaande zooveel mogelijk intact te laten, om te zij nertijd daaraa n aan te sluiten of ook daarop voort te bouwen, voor zoover alsdan zal blijken, dat aan eenige voorziening van wege het Rijk nog behoefte bestaat.

Het is op grond van deze overweging, dat ondergeteekende te rade is geworden, dat van eene regeling, als vervat in het in den aanhef dezer bedoelde ontwerp, voorloopig kan worden afgezien."

Het onderwerp, waartoe zoodoende de voorgestelde wettelijke regeling ten slotte beperkt was geworden, betrof uitsluitend de opheffing van belemmeringen, door rechthebbenden op gronden aan den aanleg en deinstandhouding van e 1 ectriciteitswerken in den weg gelegd. Deze strekking van het wetsontwerp werd in de M. v. T. als volgt uiteengezet:

„Gelijk bekend, is bij den aanleg van electrioiteitswerken de ondernemer vrijwel geheel afhankelijk van de rechthebbenden op de gronden, die hij met zijne geleidingen zal hebben te overspannen of op andere wijze zal hebben aan te doen.

Wel heeft dit punt in de verschillende provinciale verordeningen regeling gevonden in zooverre daarin n.1. aan eigenaren, beheerders en gebruikers van gronden de verplichting is opgelegd den aanleg en de instandhouding van geleidingen in, op of boven die gronden te dulden, maar het staat niet vast, dat die regeling door de rechterlijke macht als geldig zal worden erkend. In dit verband zij gewezen op het arrest van den Hoogen Raad van 14 Maart 1904 (Weekblad van het Recht n°. 8050), waarbij de

Sluiten