is toegevoegd aan uw favorieten.

De wijnwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

BIJLAGE A. — Artt."12—14.

„Zoo redeneerende komen wij tot de conclusie, dat art. 12 Wet 1878 is het bijzondere, Wet V. v. V. no. 640 het algemeene voorschrift en art. 55, 2e hd Sr. op dezen samenloop toepasselijk", (a) Zie aant. 4 op art. 29 der Wet van 1870.

3. Werktuigen, aanwezig bevonden in een niet aangegeven fabriek van inlandschen wijn, mogen in beslag worden genomen en ten kantore van den Ontvanger opgebracht. Res. van 17 Maart 1911, no. 57; zie B. no. 909.

Zie hierbij de artt. 240 en 241 der Alg. wet.

4. Verbeurdverklaring van de sappen en aftreksels is niet bedreigd.

5. Naar aanleiding eener opmerking in het Voorl. V. antwoordde de Minister:

„De opmerking, dat geen straf bedreigd zou zijn tegen het te hoog aangeven van de hoeveelheid sappen of aftreksels in art. 3, lett. ƒ, bedoeld, schijnt niet juist.

iedere afwijking van de aangifte, bij art. 3, letters o—/, voorgeschreven, en dus ook deze, is in de bepaling van art. 12, lett. d, begrepen".

6. De clausule „onverminderd zwaardere straffen bij de wetten bedreigd" werd door de Regeering alsnog aan lett. / toegevoegd, naar aanleiding eener opmerking m het Voorl. V., dat het verbod van art. 6, alinea 2, betreft vervalsching of verminking van den peilstok. „Opzettelijk gepleegd zijnde", zoo meende men, „zou dit wellicht een zwaardere straf verdienen".

7. Het hier genoemde Wetboek van Strafrecht is sedert vervangen door het bij de wet van 3 Maart 1881, S. no. 35 vastgestelde, dat, na wijziging bn de wet van 15 Januari 1886, S. no. 6, in werking trad op 1 September 1886. Volgens art. 3, lett. c, der Invoeringswet van 15 April 1886, S. no. 64, verviel op 1 September voornoemd o. a. ook de wet van 29 Juni 1854, S. no. 102.

Zie thans art. 7, 2e hd, der Invoeringswet (opgenomen met toelichting in de Off. Verz. 1886, no. 69), volgens hetwelk het minimum der geldboete, vastgesteld bij art. 23 van het Wetboek van Strafrecht (f 0,50) ook toepasselijk is op de in deze wet vastgestelde boeten bij het bestaan van verzachtende omstandigheden.

Zie ook aant. 1 op het Opschrift boven het 20e Hoofdstuk der Alg. wet.

Overgangs- en slotbepalingen.

Art. 13, enz. (1).

1. Dit artikel heeft thans geen waarde meer, en is mitsdien weggelaten.

Art. 14. De tegenwoordige wet treedt in werking met den een en twintigsten Mei 1878.

Op dat tijdstip vervallen in de wet van den 20sten Juh 1870 (Staatsblad, no. 127) de eerste vier alinea's van art. 30, art. 42, lit. d, en art. 43.