is toegevoegd aan uw favorieten.

De Tabakswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

BIJLAGE A. — Wet V. v. V. no. 1746.

bepaling dezen toestand zich geleidelijk te doen afwikkelen, dan op groote schaal bedrijfsschade ba net leven te roepen. Het is daarom aan den ondergeteekende gewenscht voorgekomen alsnog een aanvulling der wet uit te lokken in de richting gaande van het verworpen artikel 89".

Dit beteekent dus dat, liever dan de bedrijven eerst te vernietigen en dan uit 's Rijks kas de schade te vergoeden, de ondergeteekende de bedrijven, althans voorshands, in stand houdt.

Het heeft hem bevreemd daarop te zien reageeren met de opmerking, dat „in dit wetsontwerp" de tegemoetkomingen worden gemist welke door zijn ambtsvoorganger waren in uitzicht gesteld en op grond waarvan verschillende leden hun stem vóór het ontwerp hadden uitgebracht. Immers die tegemoetkomingen, voor zoover ze ook na dit wijzigingsvoorstel nog zullen noodig blijken, passen niet in deze novelle op de Tabakswet. Het „aanvragen van gelden bij de Staten-Generaal" geschiedt minder eigenaardig in de herziening van een belastingwet.

Het onderhavige ontwerp heeft dan ook slechts de strekking, door verzachting van de Tabakswet de noodzaak der tegemoetkomingen te beperken. Eerst na aanneming of verwerping van dit verzachtingsontwerp zal vaststaan, in welke mate bedrijfsschade zal aangericht worden en kan derhalve omtrent den vorm en den omvang der tegemoetkomingen worden beslist.

Het is den ondergeteekende niet duidelijk geworden, waar hij verklaard zou hebben „op grond van financieele overwegingen niet verder te kunnen gaan". Behalve de boven geciteerde woorden uit de Memorie van Toelichting, welke zulk een verklaring zeker niet behelzen, heeft hij zich ter zake slechts uitgelaten in een zeer kort woord in het openbaar debat in de Tweede Kamer op 24 December jl. In antwoord aan één der afgevaardigden, die een nog meer gepreciseerde toezegging verzocht dan de ambtsvoorganger van den ondergeteekende in de Eerste Kamer deed, antwoordde hij die toezegging niet te kunnen geven, maar wel bereid te ziin het gevraagde in overweging te nemen. Ook daarin ligt ongetwijfeld niet de afwijzende houding, welke in deze paragraaf zoo energiek bestreden wordt.

De uitlating in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer dat de Tabakswet zal in werking treden „met of zonder dit wijzigingsvoorstel", was niet bedoeld als een onvriendelijke stok achter de deur maar als een herinnering aan den plicht van een Minister om de wet uit te voeren. Ook een aangenomen motie van de Tweede Kamer zou dien plicht niet hebben kunnen terzijde stellen.

§ 3. Ondergeteekende zal er gaarne naar streven, dat geen wetten zijn departement verlaten, waarvan de gevolgen niet ernstig overwogen zijn. Hij kan intusschen niet als volkomen juist erkennen, dat men er zich aan het departement „blijkbaar niet van bewust" is geweest dat de'Tabakswet, zooals zij werd aangenomen, duizenden personen in hun bestaan zou treffen. Het juiste aantal heeft men niet geweten, maar dat zeer velen uit hun bedrijf zouden worden gestooten, heeft men voorzien. Daarom werd art. 89 voorgesteld, — een soortgelijke verzachting beoogende als het onderhavige wetsontwerp — hetwelk echter door de Tweede Kamer verworpen werd. De betrokken bedrijfsstoornis was namelijk zóó weinig onvoorzien, dat zij door velen gewild en als de aantrekkelijke kant van de Tabakswet beschouwd werd. Dit standpunt werkte ook thans nog in de Tweede Kamer na bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Vandaar dat velen van hen die opmerkten : „wij hebben