is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoe kan op de basis van algemeene voor het geheele belastingrecht geldende begrippen en beginselen de eenheid in dit recht worden bevorderd?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

hoofdzaak vrij bleven van den invloed van het Fransche belastingrecht (17).

Het is dan ook niet te verwonderen, dat waar noch in Gogel's stelsel noch in het Fransche naar samenvattende regeling van belastingrecht werd gestreefd, dit evenmin in en onder het stelsel van 1821 — in naam nog ons tegenwoordige stelsel — in belangrijke mate plaats vond. Wel kan gewezen worden op de navolgende afzonderlijke pogingen tot vereenvoudiging, bij welke opsomming ik mij bewust ben zeer onvolledig te zijn:

a. De Algemeene Wet van 26 Augustus 1822, S. n°. 38. Bij de grondslagenwet van 12 Juli 1821, S. n°. 9 was onbeslist gelaten „of de bepalingen welke omtrent den in-, uit- en doorvoer gemeen zijn zoo met betrekking tot de goederen, aan de in- en uitgaande rechten onderworpen als aan de accijnzen subject, in eene algemeene wet, dan wel in twee wetten, respectievelijk voor elk vak, zouden worden omschreven". De considerans van de wet van 1822 overweegt daaromtrent „dat het, ter bevordering van duidelijkheid en eenvoudigheid, meest doelmatig zijn zal, die bepalingen te omvatten in eene algemeene wet, met bijvoeging in dezelve van de noodige afzonderlijke voorschriften, ten aanzien der accijnzen, in verband met de bijzondere wetten daaromtrent".

(17) Gogel's verzet heeft dit niet kunnen beletten. Vruchteloos noemde hij het registratierecht „een der schandelijkste en slechtste uitvloeisels van Fransche hersenen, -die ooit onzen grond verpest hebben", de toenmalige patentwet „een meesterstuk van wandrochtelijkheid" en „een waar monster, niet alleen van bezwaar, maar vooral van willekeur en onzekerheid". Vruchteloos bleef ook zijne critiek op de andere regelingen van Franschen oorsprong. Vergel. Mem. en Corr. blz. 340, 458, 231.