is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de dividend- en tantièmebelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 2

90

een schadevergoeding wegens medewerking aan het te niet doen eener huurovereenkomst. Dit voordeel was, meenden raad van beroep en Hooge Eaad, een bedrijfswinst, met een bijzonder karakter weliswaar, maar niettemin een winst. Heffing van inkomstenbelasting had derhalve terecht plaats gevonden. Hieruit volgt, naar mijne meening, dat de Hooge Raad ook de vennootschap wegens de uitkeering van de bedoelde bate belastingplichtig zou hebben geacht.

Zoowel aan den wetgever als aan de administratie en de rechtspraak heeft de belasting van de uitdeelingen der coöperatieve vereenigingen bij voortduring niet geringe moeilijkheden bereid. Daar die bezwaren grootendeels hun oorsprong vonden in den twijfel nopens hetgeen bij die vereenigingen als winst moest worden beschouwd, is het hier de plaats er eene bespreking aan te wijden.

Toen Minister Pierson de uitdeehngen der coöperatieve vereenigingen belastbaar stelde, motiveerde hij dit aldus, dat er geen grond bestond om voor winsten, gelijk staande met die welke bij naamlooze vennootschappen aan de aandeelhouders komen, vrijdom van belasting te verzekeren (Memorie van Toehchting ad art. 1, blz. 9). Eene aanduiding van de bedoelde winsten was aan deze verklaring voorafgegaan: zoowel de winst op het door de leden verbruikte als de winst op den verkoop aan niet-leden, welke anders door den winkelier werd genoten, behoorde, kwam zij tot uitdeehng, belast te worden. Maar er werd voor deze winsten een lagere belasting voorgesteld dan voor die der naamlooze vennootschappen. Dit verschil motiveerde de Minister met de enkele mededeehng, dat er „voldoende redenen" voor bestonden.

Uit de toehchting bleek, dat de Minister in de eerste plaats aan de coöperatieve consumptie-vereeniging had gedacht. En het Voorloopig Verslag volgde dit voorbeeld. Algemeen was men van meening, dat het voordeel, uit den verkoop aan niet-leden behaald, als winst der vereeniging moest worden beschouwd. Groot verschil van gevoelen trad echter aan den dag ten opzichte van de vraag, of ook de verkoop aan de leden winst kon opleveren. Eenerzijds zag men in het aldus behaalde voordeel niets anders dan een besparing, die de consumenten door hun coöperatief-optreden hadden weten te maken ; van den anderen kant werd er op gewezen, dat het niet de leden, doch de vereeniging was die een voordeel behaalde, en men zag geen