is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de dividend- en tantièmebelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

Abt. 2

zelve kwam tot dat inzicht. Zijne uitspraak van 19 Februari 1917 (B. n°. 1663) levert daarvan het bewijs. Uitkeering aan een reservefonds, zoo hoorde men thans, kan noch feitelijk noch juridisch plaats vinden. Blijkbaar vilde de raad zeggen, dat aan een reservefonds, dat niet een zelfstandig bestaan naast de vennootschap voert, niet, alsof het een afzonderlijk lichaam ware, uitdeeling kan geschieden, en dat de vennootschap evenmin aan zich zelf iets kan uitdeelen. Op het laatste kwam het aan. En ik acht dit alleszins rationeel. Wat uitgedeeld wordt, raakt uit het actief der vennootschap. De uitdeeling op eigen aandeelen, in het reservefonds aanwezig, heeft dat gevolg niet J het besluit tot uitdeeling schept voor de vennootschap tevens het recht hare winstrekening voor het op hare aandeelen vallend dividend te crediteeren. Daarom kan men zeggen, dat dit dividend zelfs voor geen enkel oogenblik uit het vennootschapsvermogen verdwijnt. — De Minister sloot zich bij de nieuwe leer van den raad van beroep aan (resolutie van 19 Maart 1917, n°. 96, in de noot op B. n°. 1663) en heeft later, bij resolutie van 4 Juni 1919, n°. 85 (B- n° 2379) dje meening gehandhaafd.

De opsomming, voorbeeldsgewijze, van verschillende soorten van deelgerechtigden vangt aan met de oprichters en de concessionarissen. Waarschijnlijk zijn deze beide categorieën daarom het eerst genoemd, omdat hun bijzonder recht op een winstaandeel samenhangt met hetgeen er bij de oprichting van het lichaam is voorgevallen (bewijzen van bijzondere diensten bij die oprichting, inbreng van eene concessie).

Het onderscheid tusschen preferente en gewone aandeelhouders is bekend. Een bijzonder geval, waarin de preferente aandeelhouders eener commanditaire vennootschap op aandeelen van de beheerende vennooten zekere waarborgen nopens hun kapitaal en dividend hadden ontvangen, vindt men behandeld in 's Hoogen Baads arrest van 17 November 1920 (B. nD. 2694). Terecht overwoog de Hooge Baad, dat de aldus aangegane verplichting aan de uitkeering van dividend op de preferente aandeelen niet het karakter van winstuitdeehng vermocht te ontnemen.

Bij leden heeft men te denken aan de leden van coöperatieve en andere vereenigingen.

Van deelnemers was in art. 5 der wet op de bedrijfsbelasting nog geen sprake, wel in art. 20 der wet op de inkomstenbelasting. De uitdrukking heeft het oog op hen, die in eene onderlinge verzekeringmaatschappij deelnemen.