is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84 HET PROZA TOT AAN HET EERSTE OORLOGSJAAR. □

Zelfs Emants, de toen al 53-jarige, toonde zich, in 1901 met zijn Jnwijding" in volle kracht; van Eedens Koelé ™ des Doods verscheen in 1900, Van Looys „Féésten" n /g?n 'v1Jnn"W°nderxjke Avonturen van Zebedeus" V ™ v yS^ glf m deze iaren ziJ'n latere bundels v ? L"Verzamelde Opstellen" uit, benevens die der Verbeeldingen en zijn „Frank Rozelaar" (1911) Aletrino Coenen De Meester („Geertje" is van 1906) schonken hun rijpste boeken; Prins schreef voort aan zijn Heilige Tocht" die eindelijk, in '13, het licht zag, Couperus wierp, met lossen zwier, m drie jaren tijds: „De Stille Kracht", Langs Lijnen^ van Geleidelijkheid" en „De Boeken der Kleine Zielen op onze tafels, Augusta de Wit kwam o. a. met „De Goden die Wacht" en met haar liefelijk-schoone Orpheus in de Dessa", Van Oordt voltooide Warholdin 1906 M Van de Vlamingen spreek ik weer niet - doch welk een kostelijke dingen bereikten ons juist in deze jaren uit hun bloeiende kontrijen; men denke aan Streuvels' beroemdste boeken, aan Woestyne's „Janus met het Dubbele Voorhoofd , aan Buysse's „Lente" en „Het Ezelken"

Zien wij thans wat tot hiertoe ongenoemde schrijvers aan dezen rijkdom toevoegden. Doch gedenken wij daarbij aUereerst de te vroeg gestorvenen. G. F. Haspels (186419K>) gaf o a. zijn Vreugden van H o 11 a n d (1900)

fl90menwneidA-0902)'Onder den Brandaris (1908) Wllem Schurmann (1876-1915), behalve eenige

rno^erSke t°oneelstukken, zijn De B er keimans i J' rf Rotterdammers; in wezen wel zéér verschillend. Ds. Haspels was een ruim, edelmoedig en verlicht man, kunstenaar en dichter in zijn hart en van een frissche opmerkingsgave, een blijmoedige vitaliteit, die ook uit zijn verhalen en beschrijvingen haast overal naar voren komen; toch bleef zijn werk niet zonder een moraliseerende tendens die van een consequent predikant nu een-

l) Ik deed, op mijn wijze, mee, met „De Gelukkige Familie" (1909) en „Een voor Eén" (1910). H. R. 1 '