is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii6

25 September. De westelijke bergrug is een fijn groen tapijt geworden. Maar nu ook vertoont de bodem van het dal eenzelfde kleur. De sawahs zijn beplant en komen achteraan met hun teer groen. Men is voordurend in de weer om bij te planten en onkruid uit te rukken. Hoofdzaak zijn de droge rijstvelden, de sawahs zijn maar van en• kelen en vormen privaat bezit. Men krijgt een gevoel of die sawahs er maar zoo bij gedaan worden.

Heel het dal is veranderd. Hoe veel schooner wordt alles als de menschenhand mede werkt. In de tuinhut van Pa Serpi gezeten, heerlijk gelegen tusschen al dat water, hoort men het geruisch en gebabbel van de waterloopjes, die van de terassen neervallen. De rijsthalmen fluisteren zacht met elkaar, de wind doet ook mede en streelt ze allen, — alles fluisert, alles praat, alles babbelt. Het doet de stilte die hier heerscht des te hoorbaarder worden.

Vaak zit ik in die tuinhut om te genieten van die -stilte, vol leven en gefluister, De halmen buigen over naar elkaar, alles groeit in gestadige beweging. Straks ontrollen zich de bladeren, straks zwelt de halm en komt de aar te voorschijn, vol vrucht om te beloonen het geloof van de menschen, die onlangs het zaad aan de aarde toevertrouwden. Dan volgt de oogst en er is weer voedsel voor mensch en dier. Ja, de rijst leeft en geeft leven aan alle menschen.

Daar komt een meisje aan, voorzichtig zich voortgëwegend over de smalle sawahdijkjes. Ze is voller, ge^ -zetter geworden, zij gaat naar het veld van haar vader, Pa Boengamin. Zij geeft mij veel te denken — zouden de praatjes waar zijn die men van haar verteld?

29 September. Lang is het antwoord niet uit gebleven. Het kwam -gisteren en was in een oogenblik in de kampong bekend: