is toegevoegd aan uw favorieten.

De magie bij de Grieken en Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~ 108 ~

zij den zoom van Jezus' kleed aanraakt, en hoe in v. 46 Jezus zelf verklaart te voelen dat kracht van hem is uitgegaan, dan herinnert dat ons van zelf aan de wonderdadige geneeskracht, die, zooals" wij reeds in hoofdstuk II zagen, door de primitieve volkeren aan hunne opperhoofden wordt toegeschreven.

De Christenen gingen, evenals de Joden, in 't algemeen bij de Romeinen voor magiërs door. Wanneer de geschiedschrijver Suetonius in zijn „leven van Nero" c. 16, de Christenen naar aanleiding van de vervolging onder dien keizer eene soort menschen noemt van eene „nieuwe en boosdoende superstitie", dan gebruikt hij.— 't geen hoogst opmerkelijk is — een woord, nl. boosdoende (maleflca) dat ook bij uitstek van de tooverij in ongunstigen zin werd gebezigd. In een brief, aan keizer Hadrianus toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl. uitgemaakt*Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige, dat men

') Vopiscus, Vit. Saturn. 8