is toegevoegd aan je favorieten.

De wetten op de vermogensbelasting en verdedigingsbelasting I

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

deelde helft der gemeenschap. Bovendien heeft zij een persoonhjk genotsrecht van de wederhelft der gemeenschap en, volgens de schrijvers1, van het privé vermogen van den man. Ook dat genotsrecht moet worden aangegeven op de wijze als pag. 300 volg. omschreven. De vermoedehjke erfgenamen zullen bij hun' aangifte rekening moet houden met het pag. 333 opgemerkte.

Een erfenis of legaat, aan een afwezige opgekomen, doch door anderen aanvaard ingevolge art. 546 B. W., moet door die anderen onder 27 worden aangegeven, op dezelfde gronden, hierboven voor de vermoedehjke erfgenamen aangevoerd. 2

Beent van gebruik en Evenals de Successiewet in art.

I bewoning. | £7 stelden de wetten op de vermogens- en verdedigingsbelasting I in artt. 3 (oud) en 6 (oud) het recht van gebruik met vruchtgebruik gelijk. De wet van 1928 deed deze bepalingen vervallen. De M. v. T. merkte dienaangaande op, dat nu de vruchtgebruiker niet langer belast wordt, alsof hij voor vier vijfden eigenaar ware, de vroegere bepaling van weinig beteekenis meer is. „Zij levert „bovendien bezwaar op, indien iemand het recht van gebruik „heeft van enkele vertrekken van een huis. In dat geval moet „de verkoopwaarde dier vertrekken wordèn geschat! Beter „is het, evenals bij andere genotsrechten (b.v. die van vicarie„goederen) rechtstreeks de waarde van het recht in aanmer„king te nemen." Hier wordt dus uitgegaan van de gedachte — ook in art. 24quater vindt men die terug —, dat het recht van bewoning kan worden gebracht onder de in art. 7, 1°. omschreven bezittingen : in vóllen eigendom. Men kan zich dat moeilijk voorstellen. De wet stelt volle eigendom tegenover vruchtgebruik, en nu zou men het recht van gebruik, dat een beperkt recht van vruchtgebruik is, onder volien eigendom moeten rangschikken ! Toch moet worden toegegeven, dat het recht van gebruik behoort tot de zaken welke geldswaarde hebben, zoodat het tot het belastbaar vermogen behoort te worden gerekend. Het schattings-voorschrift is gebrekkig, doch de bedoeling van de

1 Opzoomer—db Beneditty II p. 683, Diephtjis V p. 648, Land— Swi Busmann I p. 742, Asser—Soholtbn I p. 536, Veeobns I p. 343.

2 Anders R. v. b. Rotterdam 6 December 1902, P. W. 9551.