Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

467

yerhoogmg. ~| § 72. Bedrag der navordering.

De wet acht het niet voldoende, dat de te weinig geheven belasting wordt nagevorderd. Bovendien moet het viervoud daarvan als verhooging worden betaald (art 41 ai. 1 wet verm.bel.). Er zijn eenige uitzonderingen; daarover hierna.

De wet van 1904 kende reeds de verhooging. Die verhooging zal, zoo was de redeneering, preventief werken, want de belastingphchtige, die te laag aangeeft, weet, dat hij daardoor zich zelf of zijn erfgenamen blootstelt aan een grooter nadeel dan de uitgespaarde belasting, * Deze motiveering dekt echter niet de regehng, die de wet omtrent de verhooging geeft. Volgens deze gedachte zou de verhooging toch alleen gevorderd kunnen worden van hem, die opzettelijk te laag heeft aangegeven. Van die beperking is in de toepassehjke voorschriften evenwel geen spoor te vinden. De verhooging moet worden opgelegd, al was de aangever te goeder trouw «, ja zelfs, wanneer hij met wist, dat de vermogensbestanddeelen, waarover nagevorderd wordt, tot zijn vermogen behoorden. 3 Daarom is de m art. Qter al. 3 bedoelde echtgenoot, die zelf juist aangaf, maar voor de fout van den anderen echtgenoot moet opkomen (pag. 460), toch de verhooging schuldig. Evenzeer wordt de verhooging betaald door den vertegenwoordigde, wiens voogd, curator of bewindvoerder indertijd een onjuiste aangifte heeft gedaan. Dat de „nagevorderde" een schadeactie kan instellen tegen den echtgenoot, voogd etc. doet toch niet af tot de waarheid, dat het Eijk een onschuldige doet boeten. Of de schadeactie zal slagen, is bovendien ongewis. Zeker gaat zij niet op, indien den echtgenoot enz. niets te verwijten valt.

1 Zie Van Walsem, Wet navordering 564.

I ~6 R ^ L0*" ^61»- °°k arr- H- R- April 1916, P. W. 11029.

b. b^m, ?; w21nïT R B R W-U265'2: en 18 Dec' 19i8>

Sluiten