Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

474

het tijdstip, waarop betaald moet worden, zoodat ook in dit opzicht de wet van 1845 geldt, zie § 67.

Hier zij alleen vermeld, dat in het aanslagbiljet (art. 2 wet 1845) het belastingjaar moet worden ingevuld, omdat zonder dat de R. v. B. niet zou kunnen oordeelen.1

Voorts zal bg de invordering rekening moeten worden gehouden met artt. 34 2 en 35, die m. i. ook hier toepassehjk zijn, verg. pag. 466.

Ten slotte verdient opmerking, dat in afwijking van den waardeloozen regel, dien art. 36 voor den gewonen aanslag in de vermogensbelasting geeft, art. 45 dier wet een bijzondere bepaling bevat ten aanzien van den aanslag tot navordering. Voor de ten laste van een overledene nagevorderde belasting en verhooging zijn de erfgenamen namelijk niet verder aansprakelijk dan ieder tot het beloop van zijn erfdeel, vermeerderd met het bedrag van hetgeen hem gelegateerd is. Deze beperking van de aansprakehjkheid der erven ziet «venwel uitsluitend op het geval, dat de aanslag tot navordering is opgelegd na het overhjden van den belastingphchtige. Met dat al stelt zij de belangen der schatkist aan niet geringe gevaren bloot.

§ 74. Beroep tegen den aanslag tot navordering.

Wie niet tevreden is met den hem opgelegden aanslag tot navordering richte binnen twee maanden na de dagteekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd beroepschrift tot den betrokken Raad van beroep (art. 42 wet verm.bel.). Zie ook art. 48 over de inrichting van het beroepschrift.

! 1 Bij overschrijding van den ter-

i _ 1 1 mijn kan de wet van 28 Juni 1926,

Stbl. 227, worden toegepast. Zie daarover pag. 406. Ook na die wet wordt, zooals pag. 396 werd medegedeeld, door den H. R. aangenomen, dat bij uitreiking niet binnen twee maanden, de termijn begint te loopen met den dag der uitreiking.

1 Zie in dit verband arr. H. R. 7 Oct. 1926, P. W. 12083, 10°.

2 Verg. over de toepasselijkheid van art. 34, W. P. N. R. 2782, p. 216.

Sluiten