Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

477

reclamant is strafbaar, ook als niet hijzelf, maar een ander, b.v. de bovenbedoelde deskundige erfgenaam, voor hem de verklaring aflegde.

De pag. 410 beschreven regelen omtrent de procesvoering doen bij het geding over een navorderingsaanslag enkele vragen ontstaan, welke betrekking hebben op „het feit". Eerst bij de mondelinge behandeling komt appellant met de bewering, dat er geen feit was. Is de inspecteur in zijn verdediging benadeeld ? De voorbehandeling van den aanslag brengt mede, dat de inspecteur geheel op de hoogte behoort te zijn omtrent alles wat met dat „feit" samenhangt. De vraag is daarom ontkennend beantwoord1.

Beroept appellant zich niet op het ontbreken van „een feit", dan mag de Raad niet ambtshalve beslissen, dat een feit ontbreekt, omdat dit een punt is, waarin mede een feitelijk element ligt, zoodat de Raad aldus beslissende, buiten den rechtsstrijd van partijen treedt2.

Bewijslast ^ ^"e* algemeen kan worden ge-

—' zegd, dat de verhouding van partijen ten opzichte van de verdeeling van den bewijslast geen andere is dan wanneer het betreft de behandeling voor den Raad van een oorspronkehjken aanslag3, zie pag. 412. De inspecteur zal, ingeval van betwisting, aannemehjk moeten maken, dat er „een feit" is 4 ; beweert de appellant, dat een ambtelijk verzuim is gepleegd, dan zal deze bij betwisting door den inspecteur hebben aan te toonen, waarin dat bestond 5. Verder zal weer de inspecteur aannemehjk moeten maken, dat uit dat feit het vermoeden voortspruit, dat op 1 Mei van het jaar waarover wordt nagevorderd, een vermogen van f . . . . aanwezig was. 6 De vraag, of hier de bijzondere regeling inzake den bewijslast, neergelegd in art. 29 al. 2 geldt, werd pag. 476 reeds besproken.

R. v. b. Amsterdam 127 Maart 1930, B. B. 4887. Zie arr. H. R. 18 Dec. 1929, P. W. 12774. Zie arr. H. R. 19 Juni 1929, B. B. 4530, P. W. 12697. Zie arr. H. B. 21 Dec. 1927, B. B. 4176.

Zie arr. H. R. 2 Maart 1932, B. B. 5177, 18 Oct. 1933, B. B. 5487. Zie ook E. Kleun, W. P. N. R. 2490.

Sluiten