is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der algemeene kerkgeschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§14. Keuze, vorming en onderboud der geestelijken.

109

echter de volmaakte onthouding te bereiken. In den eersten tijd moest men de geestelijken uit de gehuwden kiezen; want bij de Joden en heidenen was de ongehuwde staat veracht, zoodat men moeilijk ongehuwden en tevens voor den geestelijken staat geschikten vond. In het Romeinsche rijk bestond zelfs de lex Julia en Poppaea tegen het caelibaat.

Toch doét reeds de Apostel Paulus den eersten stap naar het doel: de digami sluit hij van den geestelijken staat uit'). Had iemand de hoogere wijdingen ontvangen, dan was hem het huwen ontzegd op straf van suspensie in zijn ambt. Dit noemde bisschop Paphnutius in de kerkvergadering van Nicea „de oude overlevering der'Kerk" 2). Een uitzondering hierop stelde de synode van Ancyra: Wanneer een diaken bij zijn keuze verklaarde, niet ongehuwd te kunnen blijven en later werkelijk trouwde, dan mocht hij zijn bediening voortzetten, omdat de bisschop bij de keuze verlof had gegeven. Had echter de diaken gezwegen en zich aldus bij de wijding verbonden om ongehuwd te blijven, dan verloor hij zijn ambt, wanneer hij later een huwelijk aanging3). Zij, die alleen de lagere orden hadden ontvangen, waren vrij4). Men vindt niet vermeld, dat iemand na de hoogere wijding gehuwd is. Integendeel leefden de meesten, die na het huwelijk tot de hoogere orden werden verheven, in volmaakte onthouding. Dit was echter in de westersche Kerk vóór de synode van Elvira (omstreeks 300) niet verplichtend. Eerst deze verbood aan alle dienstdoende geestelijken het huwelijksleven en besliste: „Placuit in totum prohibere episcopis, presbyteris et diaconibus vel omnibus clericis positis in ministerio, abslinere se a conjugibus suis et non generare jïlios; quicumque vero fecerit, ab honore clericatus exterminetur" 5). Ook voor het oosten wilde men in de kerkvergadering van Nicea hetzelfde voorschrijven, hetgeen echter door de krachtige rede van den H. Paphnutius werd verhinderd*).

') 1 Tim., III, 2; Tit., I, 6: TJnius uxoris vir.

*) Hefele, Conciliengesch., I, 431. Cf. Constit. Ap., VI, 17. Syn. Neocaes, can. I. *) Hefele, t. a. p., I, 230. 4J Can. Ap., 27 (25.) 6) Hefele, I, 168.

*) Funk, Abh. und TJnters, I, 149—51. Hefele, I, 431.