is toegevoegd aan uw favorieten.

De Handelingen der apostelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handelingen 8 : 12.

UITLEG.

91

150 kende Justinus Martyr in Syrië een leer, waarbij Simon en Helena als 't mannelijk en vrouwelijk principe in de godheid golden. Philippus' prediking heeft, tegenover dit verschijnsel tot middelpunt: den „Gezalfde" (d.w.z. Jezus en diens „naam" vgl. 238, 3i6, 47.30, Lc. 1114-20) en het „koninkrijk Gods". Dit laatste zal wel (vgl. Stéphanus) de verwachting geweest zijn eener toekomst, waartoe aansluiting bij de broederschap voorwaarde was. De Samaritanen worden hier blijkbaar als deelgenooten van het „verbond der besnijdenis" (vgl. 325, 6l, 753, pp. 88.90) beschouwd. In den „naam" ligt hier wel meer dan erkenning van Jezus als den Joodschen Messias, immers dat was reeds opgesloten in 't woord Christus. Hier hebben we, in tegenstelhng met Simons „kracht", weltedenken aan gedachten als die men bij Paulus en elders vindt (Openb. 3l2, 1912.13-16, Philipp. 29, Eph. I22). De uitdrukking van Jezus' opperheerschappij in andere dan Joodsche termen, moet wel 't eerst uit reactie tegen figuren als die van Simon voort13 gekomen zijn. Bekeering in den Westeuropeeschen, Protestanten zin van dit woord was bhjkbaar geen voorwaarde tot toediening van den doop: immers zelfs deze Simon wordt hier alleen op 't aanvaarden der boodschap gedoopt. Ook hier is de doop geen middel, waardoor men mechanisch geladen wordt met een soort bovenaardsch „geestelijk" fluïde. Tegen die, uit heidensche mysteriegodsdiensten aan dergelijke handehngen verbonden, opvatting verzet zich ook het gedeelte, dat nu volgt. De Geest bhjft een gave (vgl. 238.45, 431).

Petrus en Johannes te Samaria. Simon en de gave des Geestes, vs. 14—25. Petrus en Johannes (vgl. Gal. 29 en Hd. 24-11, 4i3-19) komen

15 als vertegenwoordigers van „de apostelen te Jeruzalem" (vgl. 12.15-26, 431, 61). Zij bidden om de gave des Geestes: om de hemelsche

16 bekrachtiging van het werk (vgl. I3, 21-13, 38, 431.33, 754-56), omdat (vs. 16) die „nog op niemand hunner gevallen" (vgl. Ezech.

17 115) was. Dat hun gebed en „handoplegging" het onfeilbare middel daartoe was, zegt Lucas niet. In de buitenwereld bestond"" de neiging (zie boven, vs. 13) om den doop als een mechanisch middel tot dit doel te beschouwen, elders — in Palestina welhcht? — een Oostersch streven om in handoplegging door „heilige" personen (5-14.15) zulk een middel te vinden. Lucas wijst dit mechanische duidelijk, maar zonder dit op te dringen, af. Hij handhaaft eenerzijds (Joh. 3s) de autonomie van den Geest (vgl. Hd. 1044-48!) terwijl hij, andererzijds, niet nalaat om ook van Paulus een dergelijk

18 gevolg van handoplegging (Hd. 196) aan de vergetelheid te ontrukken. Simon ziet daar — typisch Oostersch — een overdraging van baraka (vgl. 514.15) in, en wil 't geheim om dit bovennatuurlijke fluïde in mededeelbaren overvloed te krijgen voor geld koopen, zooals een Javaan er alles aan te kosten wil leggen om 't geheim van krach-