Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

immers beeft Jesaja in het voorafgaande bestraft de zonde, speciaal de rechtsverkrachting, der edelen, en ook daar zonder den koning erin te betrekken — geen wonder, dat hij nu de betere toekomst beschrijft als een tijd, waarin die ontrouwe rechters door getrouwe zullen zijn vervangen.

Overigens meent Volz, dat Jesaja geheel die hoop op een nieuw staatswezen, waaraan hij in de genoemde plaats nog vasthield, later heeft prijsgegeven. Hij beroept zich hiervoor op de bekende pericoop, waar sprake is van het samenbinden en verzegelen van het getuigenis en de onderwijzing in de leerlingen (van Jahwe of van den profeet zelf), zoodat dus die openbaring in hun hart als in eene oorkonde geschreven wordt om daar bewaard te blijven (Jes. 8: 16—18). Zie, zoo zegt de criticus, hier wordt voor het toekomstig staatswezen in de plaats gesteld de ideale gemeente der Jahwe-jongeren. Het volk als zoodanig is aan den dood gewijd, maar de profeet en zijne leerlingen zien een blijden morgen tegemoet. Hier wordt geboden een overweldigend toekomstbeeld, vrij van alle uiterlijke, objectieve trekken. De eenigovergeblevene particularistische trek is deze, dat het nog het vrome Israël is, waarvan de profeet gewaagt. Maar overigens: geen sprake is er van een staatsverband, van cultus-vormen, van natuurzegen, van schitterende heerschappij na verdelging der vijanden. Zoo sprak Jesaja onder Israël het eerst het woord, dat de religie niet afhankelijk is van het staatswezen.')

Dit woord staat daarom hoog boven de Messias-idee. Dit beeld der ideale gemeente behelst zulk eene diepe opvatting van de betrekking tusschen Jahwe en Israël, dat deze door de Messias-idee slechts verontreinigd kan worden. Een profeet, die dit uitspreekt, kan niet tot de politieke en particularistische Messias-gedachte terugkeeren. En even ondenkbaar is, dat hij aan zulke leerlingen Messias-liederen zou hebben nagelaten; als ze slechts iets hadden van des meesters geest, dan was voor hen, die in het geloof aan God het leven doorgingen, een Messias, een bevrijder uit aardsche ellende, zonder zin en beteekenis.

Heel deze redeneering gaat uit van eene vereenzelviging der Messiasverwachting met politieke en particularistische idealen, die allerminst met de werkelijkheid strookt — ik kom daarop aan het slot mijner rede terug. De voorzegging van den Messias en de aankondiging van eene ideale gemeente der toekomst, die slechts door geestelijke banden wordt saamgebonden, is voor de profeten niet zulk eene tegenstelling als Volz beweert. Maar bovendien staat in de aangehaalde verzen allerminst, dat Jesaja voor Israël als volk niets anders dan den ondergang tegemoet ziet. Zeker, de profeet trekt zich voorloopig van het

') Bl. 50 v.; vgl. Marti i. L

Sluiten