is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoe men voor athletiek oefent

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armen met kracht voorwaarts en opwaarts, boven het hoofd gezwaaid. Vele springers hebben de gewoonte om, wanneer zij in de eerste positie staan met de armen gestrekt omhoog, beurtelings teenen en hielen van den grond te heffen, wat geoorloofd, maar niet noodzakelijk is. Geheel van den grond geheven mogen de voeten slechts worden voor den sprong.

Vervolgen wij thans de beweging van den springer, nadat de afzet is volbracht.

De bewegingen gelijken na het verlaten van den grond dan verder zeer veel op die, welke wij uitvoerig bij het hoogspringen met aanloop beschreven.

Het opspringen moet nagenoeg recht naar boven en niet schuin in de richting van de lat geschieden, omdat men daarbij de lat zou afwerpen vóór een voldoende hoogte is bereikt.

Het been, hetwelk zich het dichtst bij de lat bevindt wordt zoo hoog mogelijk gestrekt opgezwaaid, terwijl het opwerpen der armen het lichaam helpt verheffen. Het andere been blijft voorloopig nog benedenwaarts gericht, totdat het eerstgenoemde zijn grootste hoogte heeft bereikt en over de lat wordt geworpen. Daarna wordt ook het andere been naar boven gebracht, de romp iets gedraaid naar de zijde waarheen men springt, de arm aan die zijde naar beneden gebracht, waarbij de andere arm nog voor de borst kan worden gezwaaid, dit alles om het lichaam over de lat te brengen. Het lichaam krijgt daarbij dus eene draaiende beweging, zonder welke men op de lat zoude terecht komen.

Men voelt hier de noodzakelijkheid, om het been gestrekt hoog te kunnen opzwaaien, wat aanvankelijk niet gemakkelijk is. Het opheffen en gestrekt voorwaarts brengen van het been, gaat gepaard met een pijnlijk gevoel aan de achter* zijde van het dijbeen. De reden is, dat de spieren daar ter plaatse meer ontwikkeld, dikker en daardoor korter zijn geworden.

In het gestrekt opzwaaien van het been, dient men zich daarom veelvuldig te oefenen, want elke buiging in de knie brengt de hiel dichter bij de lat en vergroot daardoor de kans van afwerpen.

73